Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BK7588

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
24-12-2009
Zaaknummer
07/1846 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank merkte slechts beperkt deel verweten gedragingen aan als plichtsverzuim en achtte strafontslag daarom onevenredig. Ook de voorzieningenrechter acht verdergaand plichtsverzuim dan de rechtbank heeft aangenomen vooralsnog niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1846 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Gooi en Vechtstreek (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2007, 05/5056 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene),

en

verzoeker

Datum uitspraak: 4 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen en O.D.H. van Hecke, beiden werkzaam bij de politieregio Gooi en Vechtstreek. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.D. Kolfschoten, werkzaam bij de politiebond ANPV.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 1975 werkzaam bij de politie, laatstelijk in de functie van teamleider hondengeleiders in de rang van inspecteur bij de politieregio Gooi en Vechtstreek. Bij besluit van 21 februari 2005 is betrokkene in verband met een tegen hem ingesteld strafrechtelijk onderzoek met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld en is hem de toegang tot de gebouwen van het korps ontzegd. Bij besluit van 26 april 2005 is de buitenfunctiestelling met onmiddellijke ingang omgezet in een schorsing. Tevens heeft verzoeker aan betrokkene het voomemen tot disciplinair ontslag bekend gemaakt.

1.2. Bij besluit van 15 juni 2005 is betrokkene vervolgens met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Verzoeker verwijt betrokkene dat hij een politie-portofoon aan freelance-fotograaf K. heeft verkocht of verstrekt, een drietal keren zijn ambtsgeheim heeft geschonden en twee mobiele hondenkennels heeft verduisterd en vervolgens heeft verstrekt aan K. Voorts wordt betrokkene verweten dat hij handelingen heeft verricht die strijdig zijn met zijn ambtsplicht, bestaande uit: het aannemen van K. van een beertender voor het bedrag van € 1,-, het aannemen van twee geluidsboxen voor € 50,-, het aannemen van een hoeveelheid vices voor een barbecue voor de hondengeleiders, het laten meedraaien van K. met diverse politiediensten, het ontvangen van K. in het politiebureau teneinde diens boekhouding te verzorgen en het in de gelegenheid stellen van K. om een fotopresentatie te maken van hondentrainingen.

1.3. Verzoeker heeft het besluit van 15 juni 2005, nadat hiertegen namens betrokkene bezwaar was gemaakt, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 September 2005.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank betrokkenes beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verzoeker opgedragen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De rechtbank is van oordeel dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim ter zake van het laten meedraaien van K. met politiediensten, het vertellen van de locatie van het zogenaamde poederincident aan K. en het zich mengen in de aangifte tegen K. en het bemiddelen daarbij. Nu slechts een beperkt deel van de door verzoeker aan betrokkene verweten gedragingen als plichtsverzuim kan worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat de aan betrokkene opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan het hem te verwijten plichtsverzuim. De rechtbank heeft daarbij tevens acht geslagen op de aard van de verweten gedragingen, de omvang daarvan en betrokkenes langdurige dienstverband.

3. Verzoeker heeft aangevoerd dat betrokkene door de strafrechter is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaar. De veroordeling ziet op het feit dat betrokkene in de periode van 1 juni 2004 tot en met 13 oktober 2004 zich opzettelijk wederrechtelijk een politie-portofoon heeft toegeëigend. Verzoeker is van mening dat dit feit reeds afzonderlijk bezien een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt. Voorts is verzoeker van mening dat uit het beschikbare proces-verbaal genoegzaam is af te leiden dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan alle hem verweten gedragingen. Gezien de aard en ernst van die gedragingen is de opgelegde straf van ontslag niet onevenredig te achten, aldus verzoeker. Op grond van het voorgaande bestaat er naar de mening van verzoeker een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen stand zal houden.

Ten aanzien van zijn (spoedeisend) belang bij schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak heeft verzoeker aangevoerd dat hij ter uitvoering daarvan genoodzaakt is een nieuw besluit op bezwaar te nemen dat inhoudt dat het dienstverband met betrokkene moet worden hersteld. Verzoeker acht dit onwenselijk en onaanvaardbaar.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.3. Gelet op het feit dat uitvoering van de aangevallen uitspraak impliceert dat het dienstverband met betrokkene moet worden hersteld ziet de voorzieningenrechter in hetgeen door verzoeker is aangevoerd een voldoende spoedeisend belang gelegen. De voorzieningenrechter zal dus antwoord moeten geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten vplle zullen kunnen geschieden. In het kader van het onderhavige verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

4.4. De voorzieningenrechter acht de aard en ernst van de (ook) door de rechtbank als plichtsverzuim aangemerkte gedragingen van betrokkene niet zodanig dat bij op grond daarvan de onder 4.3. geformuleerde vraag bevestigend moet beantwoorden. Dat geldt ook indien aangenomen wordt dat betrokkene terecht het verwijt is gemaakt dat hij een maal tijdens een (nacht)dienst bezig is geweest met de boekhouding van K. Daarbij wordt opgemerkt dat betrokkene toestemming had voor het verrichten van boekhoudkundige nevenwerkzaamheden.

4.5. Indien moet worden aangenomen dat van verdergaand plichtsverzuim sprake is geweest en in het bijzonder van een aard en ernst als aan de orde bij het verwijt van verduistering van politie-eigendommen en bij het verwijt van het aannemen van giften van K., moet de onder 4.3. geformuleerde vraag zonder twijfel bevestigend worden beantwoord.

4.6. Uit de stukken blijkt dat in de periode van 26 September 2004 tot en met 13 oktober 2004 met een vermiste portofoon met het ISSI nummer 3147015 PGV-VE-7-15 van de politieregio Gooi en Vechtstreek berichten zijn afgeluisterd buiten deze regio. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt echter niet uit die stukken dat deze portofoon eerder door betrokkene aan K. is verkocht of verstrekt. Dat betrokkene op 14 oktober 2004 heeft gemeld dat deze portofoon terecht was, is bepaald onvoldoende om tot de overtuiging te komen dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen of verstrekken van deze portofoon aan K. De enkele veroordeling door de strafrechter maakt dat niet anders, nog daargelaten dat tegen het strafvonnis hoger beroep is ingesteld. In dit verband wordt nog opgemerkt dat ter zitting uitdrukkelijk is gesteld dat betrokkene niet het verwijt wordt gemaakt dat hij K. op het politiebureau een (andere) portofoon heeft laten ophalen.

4.7. De voorzieningenrechter kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat niet is komen vast te staan dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het aannemen van K. van een beertender, van twee geluidsboxen en van een hoeveelheid vices voor een barbecue voor de hondengeleiders.

4.8. Ten aanzien van de verweten gedraging van verduistering en verstrekking in het najaar van 2004 aan K. van een tweetal mobiele hondenkennels overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Hetgeen zich heeft afgespeeld rondom die verstrekking, is omgeven met onduidelijkheden. Hoewel het standpunt van verzoeker dat de leidinggevende van betrokkene, B., niet per sms-bericht toestemming kan hebben gegeven voor die verstrekking, begrijpelijk voorkomt, zijn er ook aanwijzingen dat er ten tijde van belang wel sms-verkeer heeft plaatsgevonden tussen betrokkene en B. Bovendien zijn er aanwijzingen, zoals bij andere gedragingen van betrokkene waarbij B. betrokken is geweest, dat ook hier geen sprake was van een heimelijk contact met K. De voorzieningenrechter kan dan ook in het kader van dit geding niet tot de conclusie komen dat het waarschijnlijk is dat de rechtbank ten onrechte niet de overtuiging heeft verkregen dat betrokkene zich aan de hier verweten gedraging schuldig heeft gemaakt.

4.9. Uit het vorenstaande volgt dat de voorzieningenrechter niet kan aannemen dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan verdergaand plichtsverzuim als bedoeld onder 4.5. Daarmee is het niet in zodanige mate waarschijnlijk dat de door verzoeker aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, dat er grond is voor het treffen van een voorziening.

4.10. Gezien dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en gelet op de omstandigheid dat betrokkene groot belang heeft bij hervatting van zijn dienstverband, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van belangen aanleiding de gevraagde voorziening af te wijzen.

5. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verzoeker met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene begroot op € 322,-aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de politieregio Gooi en Vechtstreek.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.M. Josten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I.M. Josten.