Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC7178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-7207 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering gesloten buitenwagen. Voldaan aan criteria? Hardheidsclausule? Motivering voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7207 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2006, 05/4920 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.M.M. Verstraete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2007. Voor appellant is verschenen mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Op 4 februari 2005 heeft appellant het College in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) verzocht om een vervoersvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen.

Bij besluit van 27 april 2005 heeft het College, na advies te hebben ingewonnen bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), deze aanvraag afgewezen, omdat niet voldaan is aan alle criteria die gelden voor toekenning van een gesloten buitenwagen. Volgens het College is het medisch niet noodzakelijk dat appellant tijdens het vervoer tegen weersinvloeden beschermd wordt, en is een driewielfiets met hulpmotor de goedkoopste adequate voorziening. Het College acht zich voorts niet verplicht vervoersvoorzieningen toe te kennen voor verplaatsingen buiten de regio Amsterdam. Ten slotte heeft het College geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsbepaling.

Bij besluit van 9 september 2005 heeft het College onder handhaving van de afwijzingsgronden het bezwaar tegen het besluit van 27 april 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 september 2005 ongegrond verklaard. Zij heeft onder meer overwogen dat de medische advisering die aan het besluit ten grondslag ligt, volledig en zorgvuldig is geweest en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijn geval sprake is van een medische noodzaak tot bescherming tegen weersinvloeden zoals bedoeld in de Beleidsregels Wet voorzieningen gehandicapten van het College (hierna: Beleidsregels). Een driewielfiets met hulpmotor is naar het oordeel van de rechtbank een verantwoorde voorziening als bedoeld in artikel 3 van de Wvg.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de standpunten van partijen zal, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling worden ingegaan.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang, dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten en dat het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe bij verordening regels dient vast te stellen.

Aan artikel 2, eerste lid, van de Wvg is in de gemeente Amsterdam uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen gehandicapten (hierna: Verordening).

Ingevolge artikel 3.1 van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders een vervoersvoorziening verstrekken in de vorm van een gesloten buitenwagen.

Blijkens paragraaf 4.3.1 van de Beleidsregels kan een gehandicapte alleen dan voor een gesloten buitenwagen in aanmerking komen wanneer er een medische noodzaak is voor bescherming tegen weersinvloeden.

Het voor de toekenning van een gesloten buitenwagen geldende vereiste van een medische noodzaak voor bescherming tegen weersinvloeden is op zich zelf genomen naar het oordeel van de Raad niet in strijd met het bepaalde bij en krachtens de Wvg.

De arts van CIZ heeft na dossierstudie en overleg met de huisarts van appellant geconcludeerd dat er geen medische noodzaak is voor bescherming tegen weersinvloeden.

Appellant betwist dit, omdat zijn klachten verergeren bij koude en nattigheid. Hij heeft ter ondersteuning daarvan in de bezwaarprocedure brieven van de orthopedisch chirurg A. de Gast en van de oefentherapeut mensendieck I. Geurds aan het College verstrekt.

Uit deze brieven, die de in het CIZ-advies van 12 april 2005 opgenomen diagnoses bevestigen, blijkt echter niet dat appellant om medische redenen bescherming tegen weersinvloeden behoeft. Nu appellant zijn - ook in hoger beroep gehandhaafde - standpunt niet nader heeft onderbouwd, is het College er naar het oordeel van de Raad terecht van uitgegaan dat niet voldaan is aan het voor toekenning van een gesloten buitenwagen geldende vereiste van een medische noodzaak voor bescherming tegen weersinvloeden.

Niettemin kunnen er zich omstandigheden voordoen die noodzaken tot afwijking van de beleidsregel dat voor toekenning van een gesloten buitenwagen bescherming tegen weersinvloeden noodzakelijk is. Dat is onder meer het geval indien er geen andere - goedkopere - vervoersvoorzieningen (dan een gesloten buitenwagen) voor een betrokkene geschikt zijn om in zijn directe woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag.

Het besluit van 9 september 2005 berust op het standpunt van het College dat appellant voor zijn vervoer binnen de regio Amsterdam gebruik kan maken van een (goedkopere) driewielfiets met hulpmotor. Het College leidt uit het advies van 12 april 2005 van CIZ af dat appellant - medisch gezien - van een dergelijke fiets gebruik moet kunnen maken. Appellant betwist dit, onder meer omdat hij geen kracht of druk kan zetten. Bovendien acht hij de actieradius van de driewielfiets met hulpmotor onvoldoende om alle door hem te bezoeken plaatsen in Amsterdam te kunnen bereiken.

Naar het oordeel van de Raad biedt het advies van 12 april 2005 van CIZ onvoldoende onderbouwing voor het besluit van 9 september 2005. Uit dit advies blijkt niet op een verifieerbare wijze, dat de arts van CIZ, H.M. Laane, een driewielfiets met hulpmotor een in medisch opzicht geschikt vervoermiddel voor appellant vindt voor al zijn vervoer binnen de regio Amsterdam. De vraagstelling van de indicatie-adviseur aan de arts is beperkt tot vragen over de diagnose, de loopafstand van appellant en de mogelijkheid van gebruik van een aangepaste tweewielfiets door appellant. Uit de beantwoording door de arts Laane blijkt dat fietsen op een tweewielfiets geen goede oplossing is, omdat door het compensatoir looppatroon rugklachten en degeneratieve afwijkingen aan de wervelkolom zijn ontstaan, waardoor er zich problemen met éénbenig fietsen zullen voordoen. Gelet hierop is twijfel mogelijk over de vraag of appellant in medisch opzicht wel in staat moet worden geacht te fietsen op een driewielfiets en zo ja, tot welke afstand. Indien appellant dat niet zou kunnen is van belang of de driewielfiets met hulpmotor eerst moet worden aangetrapt dan wel van meet af aan met ingeschakelde motor te gebruiken is. Indien appellant niet of slechts in zeer beperkte mate in staat is zelf te fietsen is van belang of de hulpmotor geschikt is om vrijwel permanent gebruikt te worden en of de actieradius voor de afstanden die appellant in Amsterdam aflegt, voldoende is. Duidelijkheid over de technische mogelijkheden van de driewielfiets met hulpmotor ontbreekt in de gedingstukken en ook ter zitting hebben partijen de onduidelijkheid op dit punt niet afdoende kunnen ophelderen.

Het voorgaande betekent dat het College tekortgeschoten is in zijn onderzoek naar de feiten en dat een deugdelijke motivering van de afwijzing van de gesloten buitenwagen ontbreekt. Dat leidt ertoe dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep tegen het besluit van 9 september 2005 gegrond dient te worden verklaard en dat dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Hiermee staat - ter voorkoming van misverstand - niet vast dat het College thans gehouden is een gesloten buitenwagen te verstrekken. Het College dient na een nieuw onderzoek naar de feiten een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Indien dit onderzoek tot een hernieuwde afwijzing zou leiden, moet worden gemotiveerd met welke (zo nodig: combinatie van) adequate vervoersvoorziening(en) appellant in zijn directe woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate in staat wordt gesteld zijn sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag.

De Raad ziet ten slotte, gelet op het voorgaande, aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 322,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 9 september 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007.

(get.) R.M. van Male.

(get.) S.R. Bagga.

BKH