Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC6829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
05/5427 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Zorgvuldigheid medisch onderzoek. Vastgestelde beperkingen. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5427 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2005, 04/3954 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker van advocatenkantoor Delescen en Scheers te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in verweer verwezen naar een op 1 november 2005 gedateerde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Schipper, met bijlagen. Verder heeft het Uwv bij schrijven van 16 maart 2007, onder verwijzing naar een op 14 maart 2007 gedateerde rapportage van bezwaararbeidsdeskundige W.J.G. Mulder, een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van de geduide functies.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2007, waar appellante en haar gemachtigde, met berichtgeving, niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft zich op 7 november 2002 in verband met klachten van het houdings- en bewegingsapparaat, die door de behandelend artsen geduid zijn als fibromyalgie, ziek gemeld voor haar werkzaamheden als caissière. Appellante verrichtte deze werkzaamheden aanvankelijk vanaf 15 februari 2002 naar een omvang van 37 uur per week en heeft op

15 februari 2002 een aangepast contract gekregen voor 20 uur per week. Appellante heeft het Uwv verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Appellante is op 29 augustus 2003 in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per einde wachttijd onderzocht door verzekeringsarts W.C. Hovy. Blijkens zijn rapportage stelde Hovy vast dat er bij appellante sprake was van fibromyalgie en individuatie problematiek. Appellante kon naar zijn oordeel bij voldoende structuur en duidelijkheid in staat geacht worden voltijds in arbeid te functioneren, mits deze energetisch niet te zwaar is en de arbeid voldoet aan de voorwaarde dat deze niet te veel nek- en schouderbelasting omvat door vooral repeterende bewegingen en handelingen. Hovy heeft de beperkingen van appellante ten aanzien van arbeid omschreven in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 augustus 2003.

De arbeidsdeskundige E. Kouwenhoven concludeerde na arbeidskundig onderzoek dat appellante, die volgens dit onderzoek voor 18,5 uur per week had hervat, ongeschikt te achten was voor de volledige maatmanfunctie van caissière, maar dat er na functieduiding een verlies aan verdiencapaciteit resteerde van 7,15%. Kouwenhoven heeft daarbij de functies telefonist, receptionist, typist (sbc-code 315120), productiemedewerker confectie, kleermaker (sbc-code 272042) en productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) aan de schatting ten grondslag gelegd.

Appellante is daarop door het Uwv bij besluit van 23 september 2003 medegedeeld dat zij met ingang van 6 november 2003 geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Appellante heeft in bezwaar onder toezending van verscheidene medische stukken de juistheid van de medische grondslag van voornoemd besluit betwist en gesteld dat zij verdergaand beperkt is. Appellante heeft hiertoe - onder meer - verwezen naar een op

15 december 2003 gedateerde verklaring van de behandelend fysiotherapeut R. Verspiek en verklaringen van verschillende aan het Jan van Breemen Instituut verbonden behandelaars, bij wie zij onder behandeling is geweest.

De bezwaarverzekeringsarts H.E. Wonnink heeft in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding gezien af te wijken van het primair verzekeringsgeneeskundig oordeel. Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 29 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit) zijn primair besluit van 23 september 2003 gehandhaafd.

Ook in een nadien op 30 juli 2004 ontvangen en door zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard op verzoek van appellante opgestelde rapportage, heeft Wonnink geen aanleiding gezien een ander standpunt in te nemen ten aanzien van de eerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank heeft in hetgeen is aangevoerd en in voornoemde rapportage van zenuwarts Busard geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.

Namens appellante is in hoger beroep gesteld dat zij op en na de datum in geding,

6 november 2003, zodanige beperkingen in haar lichamelijke en psychische belastbaarheid ondervond, dat zij niet beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Appellante acht zich - onder meer - volledig beperkt in haar persoonlijk en sociaal functioneren. Appellante voelt zich in haar visie over de in aanmerking te nemen beperkingen gesteund door de bevindingen van zenuwarts Busard. Verder heeft appellante gesteld dat de verzekeringsartsen de aard en omvang van de invaliderende beperkingen bij langdurige belasting onderschat hebben en de geduide functies niet berekend zijn voor haar belastbaarheid.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar de in rubriek I van deze uitspraak vermelde arbeidskundige rapporten een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van de geduide functies in het licht van de jurisprudentie van de Raad over het zogenoemde Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). De schatting is daarbij, na correctie van de reductiefactor van de aanvankelijk voorgehouden mediaanfunctie telefonist, receptionist, typist (sbc-code 315120), door bezwaararbeidsdeskundige Schipper op

1 november 2005 gebaseerd op de functies: productiemedewerker confectie, kleermaker (sbc-code 272042), wikkelaar (sbc-code 267050) en productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043), leidend tot een verlies aan verdiencapaciteit van 10%.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad heeft, evenals de rechtbank, in hetgeen namens appellante is aangevoerd onvoldoende aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.

De verzekeringsarts Hovy heeft uitgaande van de klachtenpresentatie van appellante en op grond van eigen onderzoek aanleiding gezien beperkingen te formuleren ten aanzien van dynamische handelingen, statische houdingen en het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante. Hovy heeft tot slot specifieke voorwaarden gesteld aan de fysieke arbeidsomgeving.

De Raad onderschrijft het oordeel van bezwaarverzekeringsarts Wonnink dat de in bezwaar in geding gebrachte, hiervoor vermelde informatie van behandelaars van het

Jan van Bremeninstituut geen aanleiding geven om aan te nemen dat de beperkingen van appellante zoals neergelegd in de FML van 29 augustus 2003 onjuist zijn of om aan te nemen dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Dit geldt eveneens voor het eerder genoemde rapport van Busard.

Uit deze stukken en het door appellante tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek gepresenteerde dagverhaal blijkt immers niet dat appellante op de datum in geding bedlegerig was, dat appellante was opgenomen of dat er sprake was van een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Appellante was per datum in geschil nog in staat haar werkzaamheden als caissière gedurende 20 uur per week te verrichten, zichzelf te verzorgen en te functioneren in een samenlevingsverband.

Wat de rapportage van zenuwarts Busard betreft merkt de Raad op dat uit deze rapportage blijkt dat Busard appellante niet in staat achtte om duurzaam fulltime regulier te werken, maar dat hij haar wel geschikt achtte om arbeid te blijven verrichten naar een urenomvang zoals zij dat destijds deed (20 uur per week). De Raad ziet, evenals Wonnink, onvoldoende redenen om Busard in zijn oordeel te volgen. De Raad merkt in dit verband op dat Busard voor zijn oordeelsvorming goeddeels is afgegaan op de subjectieve klachten van appellante en de beperkingen die appellante bij de uitoefening van haar werkzaamheden ondervond. Hiermee wordt echter een onvoldoende objectieve basis gegeven voor de beperkingen van appellante.

De Raad merkt tot slot op dat de in bezwaar overgelegde resultaten van een op

13 december 2000 verricht psycho-diagnostisch onderzoek in opdracht van ROC Utrecht en een op 5 en 6 september 1991 verricht psychologisch-didactisch onderzoek door orthopedagoge drs. A.C.M. Bär-van der Drift, die overigens geen betrekking hebben op de datum in geding, geen ander licht werpen op de medische beperkingen van appellante.

Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft overweegt de Raad als volgt.

De bezwaararbeidsdeskundigen Schipper en Mulder hebben in hoger beroep nader gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellante. Daarbij zijn Mulder en Schipper ingegaan op zowel de niet-matchende als op de matchende beoordelingspunten, alsmede op alle signaleringen. De Raad acht deze nadere motivering toereikend. Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot de conclusie dat in hoger beroep de ontbrekende onderbouwing van het bestreden besluit alsnog is gegeven. De Raad stelt voorts vast dat het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 is genomen. Gelet op ’s Raads oordeel met betrekking tot het CBBS leidt dit tot vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en tot de bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand worden gelaten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient ook de aangevallen uitspraak vernietigd te worden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Namens appellante is voorts verzocht om vergoeding van de kosten die gemaakt zijn voor de op verzoek van appellante door zenuwarts Busard uitgebrachte expertiserapportage. Deze kosten ad € 950,-, komen naar het oordeel van de Raad niet voor vergoeding in aanmerking nu zij niet in beroep of hoger beroep zijn gemaakt, maar met het oog op de bezwaarfase zijn gemaakt en appellante niet tijdig om de vergoeding van die kosten heeft verzocht.

De Raad merkt verder op dat voor zover namens appellante is beoogd te verzoeken om vergoeding van de uit hoofde van de verleende civiele toevoegingen betaalde eigen bijdrage, deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat in het Bpb niet is voorzien in de vergoeding van deze kosten.

Wat betreft het verzoek van appellante om de kosten ad € 64,00 te vergoeden, merkt de Raad op dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De Raad overweegt hiertoe dat ook deze kosten betrekking hebben op een eigen bijdrage van appellante, en het Bpb, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet voorziet in de vergoeding van deze kosten. Verder is het de Raad uit de stukken ook niet duidelijk geworden in welk verband appellante deze kosten heeft gemaakt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 december 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

MK