Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC4537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
06-6021WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Intrekkingsbesluit op juiste wijze bekend gemaakt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6021 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 11 september 2006, 05/8986 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. T. Scholtus, advocaat te

’s-Gravenhage.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Scholtus. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M.J. Vos-Kersten en mr. V. Djordjevic, beiden werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 18 mei 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 18 april 2005 is het recht op bijstand per 1 april 2005 opgeschort. Daartegen heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het College de bijstand met ingang van 18 mei 2004 tot en met 31 maart 2005 ingetrokken op de grond dat appellant dermate onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt dat het recht op bijstand vanaf de toekenningsdatum niet meer kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 10 mei 2005 heeft het College met verwijzing naar het besluit van

3 mei 2005 de kosten van bijstand over de periode van 18 april 2004 tot en met

31 maart 2005 teruggevorderd ten bedrage van in totaal € 10.255,79.

Tegen het besluit van 10 mei 2005 heeft appellant bij schrijven van 30 mei 2005 bezwaar gemaakt, welk bezwaar is aangevuld bij schrijven van 13 juni 2005.

Bij besluit van 3 november 2005 heeft het College het tegen het besluit van 10 mei 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van

3 november 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd daartoe stellende dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het College heeft gevolgd dat uitsluitend bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 10 mei 2005 tot terugvordering en niet tegen het besluit tot intrekking van bijstand van 3 mei 2005.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt met de rechtbank vast dat het bezwaarschrift van 30 mei 2005 en het aanvullend bezwaarschrift van 13 juni 2005 blijkens de bewoordingen daarvan uitsluitend zijn gericht tegen het terugvorderingsbesluit van 10 mei 2005, welke beslissing ook in kopie bij het inleidend bezwaarschrift was gevoegd. Een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 3 mei 2005 bevindt zich niet bij de gedingstukken en appellant heeft ook niet gesteld dat zodanig bezwaarschrift is verzonden.

Met betrekking tot de stelling die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, te weten dat het besluit van 3 mei 2005 nimmer naar behoren is bekend gemaakt, overweegt de Raad als volgt.

Voor zover naar aanleiding van de mededeling van appellant dat hij destijds het besluit van 3 mei 2005 niet heeft ontvangen al zou moeten worden aangenomen dat het besluit niet op juiste wijze is bekend gemaakt, dan kan op grond van appellants eigen verklaring worden vastgesteld dat dit besluit hem in elk geval is toegezonden bij brief van

15 augustus 2005. De Raad ziet niet in dat met deze toezending niet zou zijn voldaan aan het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat appellant dit besluit niet als zodanig heeft herkend, omdat het was gevoegd bij andere stukken die tegelijkertijd aan appellant werden toegezonden, komt voor zijn risico. De Raad stelt vast dat appellant niet alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit.

Dit betekent dat, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, het College bij het besluit van 3 november 2005 op goede gronden uitsluitend heeft beslist op de bezwaren gericht tegen het terugvorderingsbesluit van 10 mei 2005. De hiervoor genoemde grief van appellant kan dus niet slagen.

Nu voorts in hoger beroep geen grieven zijn aangevoerd tegen hetgeen de rechtbank aangaande dat besluit van 3 november 2005 inhoudelijk heeft overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th. C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en

L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.