Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC4534

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
06-4855 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervallen van procesbelang. Niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4855 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2006, 05/5149 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2007. Appellante is ter zitting verschenen bijgestaan door haar echtgenoot en mr. Boot. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en de Svb als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

”Bij besluit van 25 april 2003 heeft verweerder bepaald dat eiseres met ingang van het eerste kwartaal van 2002 geen recht meer heeft op kinderbijslag voor haar dochter [A.], geboren op [geboortedatum] omdat zij niet in belangrijke mate door eiseres wordt onderhouden. Daarnaast heeft verweerder in twee brieven van 25 april 2003 aangekondigd dat hij zal overgaan tot terugvordering van teveel ontvangen kinderbijslag en tot oplegging van een boete.

Bij brief van 6 mei 2003 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 april 2003 en heeft zij tevens gereageerd op de brieven van 25 april 2003 met daarin de aankondiging van het voornemen tot terugvordering van kinderbijslag en tot oplegging van een boete.

Bij besluit van 26 november 2003 heeft verweerder de door eiseres teveel ontvangen kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2002 teruggevorderd tot een bedrag van € 303,77. Daarnaast heeft verweerder bij besluit van eveneens 26 november 2003 (primair besluit) eiseres een boete opgelegd ter hoogte van € 45,-- daar eiseres heeft verzuimd verweerder tijdig op de hoogte te stellen van het feit dat haar dochter [A.] sinds 28 december 2001 niet meer bij haar woonachtig was.

Bij brief van 7 januari 2004 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen beide besluiten van 26 november 2003.

Bij besluit van 12 april 2005 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2003 tot terugvordering van de kinderbijslag ongegrond verklaard. Tevens heeft hij bij besluit van 12 april 2005 het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2003 tot oplegging van een boete ongegrond verklaard.

Bij besluit van 14 november 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 25 april 2003 tot herziening van het recht op kinderbijslag gegrond verklaard en bepaald dat eiseres over het eerste kwartaal van 2002 wel recht had op kinderbijslag ten behoeve van haar dochter [A.].

Bij brief van 17 november 2005 heeft verweerder de rechtbank bericht de besluiten van 12 april 2005 niet te handhaven.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de beide besluiten van 26 november 2003 gegrond verklaard. Verweerder overweegt daarbij dat terugvordering van teveel ontvangen kinderbijslag niet aan de orde is, nu in het besluit van 14 november 2005 is bepaald dat eiseres over het eerste kwartaal van 2002 wel recht had op kinderbijslag. Daarnaast zet verweerder de aan eiseres opgelegde boete van € 45,-- vanwege het niet voldoen aan de voor haar geldende meldingsplicht om in een waarschuwing. Volgens verweerder is aan de voorwaarden voor het geven van een waarschuwing voldaan en is niet gesteld, noch gebleken dat er sprake is van dringende redenen waardoor moet worden afgezien van een waarschuwing.

2.2. Het beroep van eiseres beperkt zich tot de waarschuwing die verweerder haar in het bestreden besluit heeft gegeven. Zij heeft - kort samengevat - betwist dat zij gehouden was binnen een termijn van vier weken, te rekenen van 28 december 2001, verweerder mede te delen dat haar dochter [A.] elders verbleef. Eiseres heeft aangevoerd dat [A.] was weggelopen. Pas in maart 2002 werd zij op de hoogte gesteld van het feit dat haar dochter in het kader van een crisisplaatsing elders was gehuisvest. Tot die tijd beschouwde eiseres haar dochter niet als uitwonend. Naar de mening van eiseres was er voorts geen sprake van een gewijzigde situatie omdat zij in het desbetreffende kwartaal nog steeds de kosten van het onderhoud van [A.] voor haar rekening nam. Zo er wel sprake was van een gewijzigde situatie voert eiseres aan dat het niet nodig was om melding te maken van deze wijziging omdat er in ieder geval geen nieuwe situatie was ontstaan die een wijziging van het recht op kinderbijslag tot gevolg had.

2.3. De rechtbank overweegt dat de dochter van eiseres, [A.], is geboren

op [geboortedatum] en aldus op [18de verjaardag] meerderjarig is geworden. [A.] is de jongste van de vier kinderen van eiseres en haar echtgenoot.”.

De rechtbank heeft het beroep vervolgens niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Zij heeft daartoe als volgt overwogen:

”Ter zitting is de vraag aan de orde geweest welk belang eiseres thans nog heeft bij het door haar ingestelde beroep. De gemachtigde van eiseres heeft aangegeven dat, hoewel de kinderen van eiseres allen meerderjarig zijn en eiseres aldus geen rechten meer kan ontlenen aan de AKW, het beroep tegen het bestreden besluit voor haar een principiële kwestie betreft.

De rechtbank overweegt dat, volgens vaste rechtspraak, de enkele wens om een principiële uitspraak te verkrijgen - in het kader van de rechtsbescherming ingevolge de Algemene wet bestuursrecht - niet als een rechtens te honoreren procesbelang kan worden aangemerkt. Voorts is gesteld noch gebleken dat er andere gronden zijn op basis waarvan geconcludeerd dient te worden dat eiseres in de onderhavige zaak wel een procesbelang heeft.”.

In hoger beroep is namens appellante bestreden dat zij geen belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over de waarschuwing. Opgemerkt wordt dat middels de waarschuwing door de Svb negatief is geoordeeld over het nakomen door appellante van haar mededelingsplicht. Om dat negatief oordeel ongedaan te maken had appellante wel degelijk procesbelang.

In verweer is namens de Svb naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat de wens van appellante om een principiële uitspraak te verkrijgen niet kan worden aangemerkt als een rechtens te honoreren procesbelang. Echter met appellante is de Svb van oordeel dat een opgelegde waarschuwing van invloed kan zijn op toekomstige beslissingen. Indien appellante binnen een periode van twee jaar na het opleggen van de waarschuwing de mededelingsverplichting als bedoeld in artikel 15 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) overtreedt, is de Svb op grond van haar beleid verplicht een boete op te leggen. Het is dan niet mogelijk om - in die gevallen waarin er geen benadelingsbedrag is - een waarschuwing op te leggen in plaats van een boete. Met appellante is de Svb van mening dat niet valt uit te sluiten dat appellante tot 17 november 2007 rechten kan ontlenen aan de AKW. Verder is door de Svb verwezen naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2006, AB 2006/122, waarin is bepaald dat een waarschuwing niet kan worden aangemerkt als een besluit. Aan de Raad wordt verzocht op dit punt in te gaan.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat, naar tussen partijen niet in geschil is, de onderhavige waarschuwing was ‘uitgewerkt’ op 17 november 2007. Nu de gegeven waarschuwing niet tot voor appellante nadelige gevolgen heeft geleid - en ook niet meer kan leiden - en ook overigens niet is gebleken van enig belang voor appellante bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, is de Raad van oordeel dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling door de Raad van de aangevallen uitspraak. De Raad zal het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Daarbij merkt de Raad nog op dat hij het belang van appellante bij een oordeel over de gegrondheid van de oplegging van de waarschuwing sec niet als een voldoende procesbelang kan aanmerken.

Door appellante is verzocht om veroordeling van de Svb tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht in twee instanties. In dat kader moet de Raad allereerst vaststellen dat het procesbelang van appellante eerst is vervallen tijdens de procedure in hoger beroep. De rechtbank heeft appellante dan ook ten onrechte wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep. Nu het hoger beroep in zoverre terecht is ingesteld acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

Voor een veroordeling van de Svb in de proceskosten van appellante in beroep ziet de Raad geen aanleiding. Daarbij acht de Raad van belang dat appellante op grond van artikel 15 van AKW verplicht is tot melding van alle feiten en omstandigheden waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op - onder meer - het recht op kinderbijslag. De uithuizigheid van [A.] vanaf 28 december 2001 is buiten twijfel een dergelijk feit, dat door appellante niet (tijdig) aan de Svb is gemeld.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.C. Palmboom.