Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC2860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
06-5176 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk gemaakt dat besluiten op de data in geding aan betrokkene zijn bekendgemaakt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5176 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, gevestigd te Driebergen, (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 augustus 2006, 05/2622 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 19 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. N.M.J. van der Maas, advocaat te Maastricht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2007. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Kater, werkzaam bij appellante. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft op 4 juli 2005 op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten een besluit genomen op de aanvraag van betrokkene van 14 november 2004 om verlenging van de indicatie voor huishoudelijke verzorging. Appellante stelt dit besluit op 4 juli 2005 aan betrokkene te hebben toegezonden.

1.2. Op 5 september 2005 heeft de echtgenoot van betrokkene bij appellante geïnformeerd naar het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van betrokkene. Appellante heeft daarin aanleiding gevonden om bij brief van 5 september 2005 een afschrift van het besluit van 4 juli 2005 aan betrokkene toe te zenden.

1.3. Betrokkene heeft bij brief van 10 september 2005 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 juli 2005.

1.4. Appellante heeft het bezwaar bij besluit van 28 september 2005 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Hetgeen betrokkene ter verklaring heeft aangevoerd, heeft appellante onvoldoende gevonden om de termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten.

1.5. Betrokkene heeft tegen het besluit van 28 september 2005 bij brief van

8 december 2005 beroep ingesteld. Betrokkene stelt dat op 1 december 2005 bij appellante is geïnformeerd naar het uitblijven van de beslissing op bezwaar. Op 7 december 2005 is opnieuw contact opgenomen met de vraag wanneer dit besluit wordt verzonden. Appellante heeft vervolgens per fax een afschrift van het besluit van 28 september 2005 aan betrokkene toegezonden.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 september 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellante opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens zijn bepalingen over griffierecht en proceskosten gegeven. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat appellante de beslissing op bezwaar niet aangetekend of met bericht van ontvangst heeft verzonden. Naar haar oordeel heeft appellante de ontvangst ervan door betrokkene niet aannemelijk kunnen maken. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd heeft de rechtbank voldoende grond gevonden voor het oordeel dat betrokkene de ontvangst op niet-ongeloofwaardige wijze heeft ontkend. Verder heeft zij geoordeeld dat betrokkene zo spoedig mogelijk na de ontvangst van een afschrift op 7 december 2005 beroep heeft ingesteld, zodat de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar moet worden geacht. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft zij overwogen dat daarvoor hetzelfde geldt als voor het beroep.

2.2. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante stelt zich op het standpunt dat het primaire besluit op 4 juli 2005 en de beslissing op bezwaar op 28 september 2005 aan betrokkene zijn toegezonden. Zij stelt deze besluiten op de gebruikelijke manier te hebben verzonden naar het huisadres van betrokkene. Op de brief van 4 juli 2005 staat een verzendstempel. Het besluit is op 30 juni 2005 getransporteerd naar het zorgkantoor. In het cliëntdossier staat vermeld: “status: voltooid”. Het feit dat betrokkene ten tijde van het nemen van het besluit van 4 juli 2005 in het buitenland verbleef, komt niet voor risico van appellante. Appellante heeft aan haar bekendmakingsverplichting voldaan. Betrokkene moet zelf de nodige voorzorgs-maatregelen nemen opdat poststukken haar tijdig bereiken. Appellante is van mening dat de doorzendservice van TPG Post een niet-adequate voorzorgsmaatregel is. Bovendien is betrokkene op 29 juni 2005 telefonisch geïnformeerd over het voornemen een gedeeltelijk negatief besluit te nemen. Zij kon dus weten dat binnen afzienbare termijn een besluit zou worden toegezonden. Dit te meer nu het zorgkantoor op 4 juli 2005 aan betrokkene een overeenkomst heeft toegezonden ter uitvoering van het indicatiebesluit.

2.3. Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat appellante de verzending van de besluiten van 4 juli 2005 en 28 september 2005 niet aannemelijk heeft gemaakt.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van (primaire) besluiten die

- zoals het besluit van 4 juli 2005 - tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. In zijn uitspraak van 30 september 2003 (LJN: AM0355) heeft de Raad overwogen dat - in geval van toezending van een besluit - voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarden voor het aanvangen van de (bezwaartermijn of de) beroepstermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de zending (aan het juiste adres) dient vast te staan, dan wel voldoende aannemelijk dient te zijn gemaakt. Daarbij geldt dat niet is uitgesloten dat ook langs andere weg dan aangetekende verzending per TPG Post kan worden aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat aan deze vereisten is voldaan.

3.2. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat de besluiten

van 4 juli 2005 en 28 september 2005 niet aangetekend, of met bericht van ontvangst, aan betrokkene zijn verzonden. Evenmin zijn die besluiten aan haar uitgereikt.

3.3. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting van de Raad verklaard dat niet wordt gewerkt met een postregistratiesysteem waarin wordt aangetekend welk besluit op welk moment aan TPG Post wordt toevertrouwd. Wel is er een registratiesysteem waarin wordt aangetekend welk besluit is genomen. De concipiënt registreert daarin welk besluit “voltooid” is.

3.4. De Raad moet onder deze omstandigheden vaststellen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de besluiten van 4 juli 2005 en 28 september 2005 op die data aan betrokkene zijn bekendgemaakt, zodat de bezwaar- onderscheidenlijk de beroepstermijn niet op de dag na die data is aangevangen. In het bijzonder blijkt uit het door appellante gebruikte registratiesysteem niet dat deze besluiten op die data ter bestelling aan TPG Post zijn aangeboden.

3.5. Hiermee is gegeven dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad zal appellante veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellante tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van appellante een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

C.H.T.W. van Rooijen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007.

(get.) T.G.M. Simons

(get.) C.H.T.W. van Rooijen

EK0301