Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC2799

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
05-5412 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening ANW-uitkering en terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5412 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2005, 04/192 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellante heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door B. van Volen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sinds 2 december 1985 een weduwenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege is omgezet in een - inkomensafhankelijke - nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW).

Bij inkomensopgaveformulier van 30 oktober 2000 heeft appellante de Svb op de hoogte gesteld van het feit dat haar bruto loon uit dienstbetrekking met ingang van 1 juli 2000

f 3.305,15 per maand bedraagt. Daarbij heeft zij een salararisspecificatie over de maand oktober 2000 gevoegd.

Naar aanleiding van de wijziging in het inkomen van appellante heeft de Svb de

ANW-uitkering van appellante met ingang van 1 juli 2000 vastgesteld op f 1.050,18 bruto per maand. Daarbij is voorts de over de maanden juli 2000 tot en met december 2000 door appellante te veel ontvangen uitkering tot een bedrag van f 477,60 van haar teruggevorderd.

Bij inkomensopgaveformulier van 31 oktober 2001 heeft appellante de Svb op

de hoogte gesteld van het feit dat haar bruto loon uit dienstbetrekking met ingang van 1 augustus 2001 f 3.426,99 per maand bedraagt. Daarbij heeft zij een salararisspecificatie over de maand oktober 2001 gevoegd.

Bij inkomensopgaveformulier van 4 december 2002 heeft appellante de Svb op de hoogte gesteld van het feit dat haar bruto loon uit dienstbetrekking per 1 juli en 1 oktober 2002 is gewijzigd. Daarbij heeft zij salarisspecificaties over de maanden juli en oktober 2002 gevoegd.

Bij brief van 11 juli 2003 heeft de Svb appellante medegedeeld dat haar recht op uitkering niet kan worden vastgesteld omdat niet alle inkomensveranderingen zijn doorgegeven. Daarbij is appellante verzocht specificaties in te zenden van alle veranderingen in het inkomen vanaf oktober 2001. Appellante heeft vervolgens een drietal specificaties ingezonden.

Bij brief van 31 juli 2003 heeft de Svb appellante medegedeeld dat het niet mogelijk is gebleken om aan de hand van de ingestuurde specificaties het inkomen van appellante over de periode vanaf juni 2000 correct vast te stellen, zodat een verzoek tot inkomensopgave is gedaan aan de werkgever van appellante.

Bij besluit van 2 september 2003 heeft de Svb op basis van de nadere vaststelling van het inkomen uit arbeid van appellante haar ANW-uitkering herzien over de periode juni 2000 tot en met juli 2003. Bij besluit van 19 januari 2004 heeft de Svb de dientengevolge onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 2.027,94 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 4 december 2003 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 september 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 4 december 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij zich eerst in de loop van de procedure heeft gerealiseerd dat zij de Svb niet van iedere salarismutatie op de hoogte heeft gesteld, maar dat van opzet of grove nalatigheid geen sprake is geweest. Zij is ervan uitgegaan dat de Svb de door haar verstrekte gegevens zou vergelijken met jaaropgaven van haar werkgever en/of de belastingdienst. Nu daarvan kennelijk geen sprake is geweest kan de Svb de vertraging in de controle niet uitsluitend op haar afwentelen en dient de periode waarover wordt herzien aanzienlijk te worden beperkt.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot de herziening van het recht op ANW-uitkering merkt de Raad op dat uit artikel 34, eerste lid van de ANW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de ANW is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld. De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. Voorts wordt door de Svb met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van herziening afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid weegt de Svb:

- de mate waarin aan de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin aan de Svb een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin de herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijkse leven van de belanghebbende.

De Raad constateert dat een situatie waarin de Svb volgens zijn beleidsregels geheel of gedeeltelijk van herziening dient af te zien zich in dit geval niet voordoet. De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat appellante al haar verplichtingen jegens de Svb is nagekomen en elke wijziging van haar inkomen binnen de gestelde termijn heeft gemeld. Naar het oordeel van de Raad had het - gelet op de voortdurende systematische voorlichting van de Svb ter zake - appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de wijzigingen in haar inkomen van invloed konden zijn op de hoogte van haar inkomensafhankelijke uitkering en derhalve binnen de gestelde termijn dienden te worden doorgegeven aan de Svb. Appellante heeft in de periode in geding weliswaar haar salarisspecificaties over oktober 2000, oktober 2001 en juli en oktober 2002 aan de Svb gezonden, maar deze geven - naar de Svb onweersproken heeft gesteld - geen compleet beeld van alle door appellante als beloning uit arbeid genoten voordelen, zoals eenmalige gratificaties en belaste vergoedingen.

De Raad is voorts met de Svb van oordeel dat van een kennelijk onredelijke toepassing van artikel 34 van de ANW niet is gebleken. Het enkele feit dat de Svb de inkomensopgave van appellante van 31 oktober 2001 met te grote vertraging heeft verwerkt is voor deze conclusie onvoldoende. Voorts heeft de Svb de gevolgen van de herziening gemitigeerd door appellante in de gelegenheid te stellen de terugbetaling over twee in plaats van één jaar te spreiden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) A.C. Palmboom.

EK0401