Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC2777

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
06-4156 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling hoogte bijzondere bijstand. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar concrete situatie de betreffende toelage in onvoldoende mate tegemoetkomt aan de inkomensachteruitgang als gevolg van het bereiken van de 18 jarige leeftijd van haar dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4156 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 12 juli 2006, 06/621 en 06/851 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Voor appellante is verschenen mr. Bakker. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij besluit van 16 februari 2006 heeft het College het recht op bijstand met ingang van 7 februari 2006 herzien in die zin dat appellante vanaf deze datum bijstand ontvangt naar de norm voor een alleenstaande. Het College heeft hierbij overwogen dat het (jongste) kind van appellante op die datum 18 jaar is geworden, zodat appellante ingevolge artikel 4 van de WWB niet langer kan worden beschouwd als een alleenstaande ouder maar als een alleenstaande. Daarnaast heeft het College bepaald dat appellante recht blijft houden op een toeslag van 20% van het minimumloon omdat zij de noodzakelijke kosten van het bestaan niet met een ander kan delen.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft hierbij aangevoerd dat zij door de verlaging van de bijstand niet langer kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Haar dochter volgt nog voortgezet onderwijs en ontvangt alleen een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Appellante ontvangt ten behoeve van haar dochter ook geen kinderbijslag meer.

Hangende het bezwaar heeft het College op 20 april 2006 een nieuw besluit genomen. Bij dit besluit heeft het College appellante bijzondere bijstand in de vorm van een toeslag toegekend gedurende de periode dat haar dochter voortgezet onderwijs volgt en op grond hiervan een toelage op grond van de WTOS ontvangt. De toeslag is toegekend tot en met uiterlijk 31 augustus 2006. De hoogte van de toeslag is bepaald op de norm die geldt voor een alleenstaande 18-jarige (exclusief vakantietoeslag) zijnde € 197,38 per maand verminderd met € 96,86, het bedrag dat de dochter van appellante ontvangt op grond van de WTOS, derhalve in totaal een bedrag van € 100,52 per maand.

Appellant heeft het College laten weten dat met deze beslissing niet volledig aan haar bezwaren is tegemoet gekomen.

Vervolgens heeft het College bij besluit van 1 juni 2006 op het bezwaar van appellante beslist. Bij dit besluit heeft het College het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat er tot 1 april 2006 bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand geen rekening wordt gehouden met de WTOS-toelage, dat de in het besluit genoemde einddatum komt te vervallen en dat de vergoeding wordt gebaseerd op artikel 18, eerste lid, van de WWB.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 juni 2006 ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij het beroep ongegrond is verklaard. Appellante kan zich niet verenigen met de hoogte van de door het College vastgestelde bedrag aan bijzondere bijstand. De door het College toegekende aanvullende inkomensondersteuning is naar de opvatting van appellante onvoldoende om de inkomensachteruitgang als gevolg van het van toepassing zijn van de lagere alleenstaande norm op te vangen. Haar dochter is niet in staat om betaalde werkzaamheden te verrichten en naast het feit dat appellante geen aanspraak meer maakt op kinderbijslag, komen ook de kosten van de ziektekostenverzekering van haar dochter voor haar rekening.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Het College heeft onder verwijzing naar deze bepaling appellante vanaf 7 februari 2006 bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 van de WWB toegekend in de kosten verbonden aan het levensonderhoud van haar, op die datum 18 jaar geworden dochter. Ter bepaling van de hoogte van die bijstand heeft het College een richtlijn ontwikkeld, inhoudende dat de hoogte van de bijzondere bijstand het verschil is tussen de bijstandsnorm voor een 18- tot 21-jarige (exclusief vakantietoeslag) en de WTOS-toelage en eventuele ander inkomen (exclusief vakantietoeslag) van het kind. Gedurende de periode dat deze bijstand wordt verleend, kan het inkomen van het kind veranderen. Als dat inkomen vermindert, kan de bijstand worden verhoogd; een toename van dat inkomen is niet van invloed op de hoogte van de bijstand. Deze bijstand wordt voor maximaal drie maanden toegekend en kan op aanvraag worden verlengd met weer maximaal drie maanden.

In de situatie van appellante komt de hoogte van de bijzondere bijstand neer op een bedrag van € 100,52 per maand. Daarmee ontvangt appellante een bedrag aan bijzondere bijstand ter hoogte van de norm die overeenkomt met de norm die haar dochter zou hebben ontvangen indien zij niet schoolgaand zou zijn dan wel geen WTOS-toelage zou ontvangen.

De Raad is van oordeel dat deze vaststelling van de hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand in zijn algemeenheid in een geval als hier aan de orde niet onjuist is. De Raad is voorts van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat in haar concrete situatie de betreffende toelage in onvoldoende mate tegemoetkomt aan de inkomensachteruitgang als gevolg van het bereiken van de 18 jarige leeftijd van haar dochter. De Raad overweegt hierbij dat de kinderbijslag nog over het eerste kwartaal van 2006 is uitbetaald, dat per 1 april 2006 niet alleen de toelage op grond van de WTOS aan de dochter is toegekend maar tevens een maandelijkse tegemoetkoming in schoolkosten tot een bedrag van € 100,67. In dit laatste bedrag is blijkens de gedingstukken een bedrag van € 46,67 begrepen als compensatie voor de kosten van de nieuwe zorgverzekering. De enkele stelling van appellante dat zij ook met de bijzondere bijstand niet kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, ter zitting van de Raad onderbouwd met de opmerking dat een 18-jarige meer kosten met zich brengt dan een 17-jarige, acht de Raad onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als giffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) Th.C. van Sloten

(get.) W. Altenaar.

EK