Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC2073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06/5932 WWB, 06/5934 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ0674, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding? Verklaringen onder ontoelaatbare druk afgelegd? Bestuursrechter niet gebonden aan oordeel strafrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2008/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5932 WWB

06/5934 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 september 2006, 05/3638 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Pijnacker-Nootdorp (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F.J. Hordijk, advocaat te Naaldwijk, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hordijk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Poldermans, werkzaam bij de gemeente Pijnacker-Nootdorp.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.

Appellante ontving sedert 1 maart 1993, met een onderbreking van 1 december 1999 tot en met 11 januari 2001, een bijstandsuitkering, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellanten zouden samenwonen, heeft de Sociale Recherche van de gemeente Delft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante toegekende uitkering. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, zijn diverse instanties om inlichtingen verzocht, is huisbezoek aan de woning van appellante gebracht, zijn appellanten verhoord en zijn diverse buurtbewoners als getuigen gehoord.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 juli 2004.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 15 juli 2004 de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2004 te beëindigen (lees: in te trekken), de aan appellante over de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 mei 2004 verleende bijstand te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 64.625,55 van appellante terug te vorderen.

Bij datzelfde besluit heeft het College deze kosten mede van appellant teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten sedert 1 januari 1998, zonder dat appellante daarvan aan het College mededeling heeft gedaan, een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Appellanten hebben tegen het besluit van 16 juli 2004 bezwaar gemaakt. Daarbij hebben appellanten erkend vanaf maart 2003 een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd. Bij besluit van 4 april 2005 heeft het College het besluit van 16 (lees: 15) juli 2004 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 april 2005 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

Uitsluitend is in geschil of appellanten in de periode van 1 januari 1998 tot 3 maart 2003 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

De Raad stelt voorop dat uit zijn uitspraak van 21 april 2005, LJN AT4358, volgt dat het College vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54, 58 en 59 van de Wet werk en bijstand (WWB) zijn bevoegdheid ontleent om tot intrekking en terugvordering over te gaan en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De Raad is van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten in de periode van 1 januari 1998 tot 3 maart 2003 in de woning van appellante te [woonplaats] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Doorslaggevend acht de Raad de ten overstaan van de sociale recherche door appellanten afgelegde verklaringen, waarvan de samenvattingen zijn opgenomen in het rapport van 12 juli 2004. Dat appellanten overeenkomstig deze samenvattingen hebben verklaard, wordt niet betwist.

Ten aanzien van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning overweegt de Raad dat appellanten tijdens het vijfde verhoor hebben verklaard dat appellant sedert medio 1997 gemiddeld vijf nachten/dagen per week in de woning van appellante verbleef. Appellant heeft in het zevende verhoor voorts erkend dat appellante in 2002 aan de gemeente kenbaar had moeten maken dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.

Dat appellanten eerder dan 3 maart 2003 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning blijkt ook uit het vierde verhoor van appellante. Uit dit verhoor kan ook worden opgemaakt dat appellant uitsluitend in zijn woning in Delft verbleef op de momenten dat zijn kinderen daar op bezoek waren. Ten aanzien van de vraag of sprake is van wederzijdse verzorging overweegt de Raad dat appellante tijdens het vijfde verhoor heeft verklaard dat appellanten hun financiële zaken nooit gescheiden hebben gehouden. Ook is opgemerkt dat appellante de auto van appellant heeft gebruikt wanneer hij op zakenreis was en dat zij beiden over en weer de boodschappen hebben betaald. In hoger beroep blijkt dat deze verklaring van appellante betrekking heeft op een periode vanaf 1997.

De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat appellanten niet aan hun verklaringen kunnen worden gehouden omdat deze onder ontoelaatbare druk zouden zijn afgelegd. Volgens vaste jurisprudentie mag in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaring, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt en uitzondering moet worden gemaakt. Voor de stelling dat appellant de samenwoning vanaf 1997 uitsluitend heeft toegegeven om appellante tegen de psychische druk van verdere verhoren te beschermen, is geen enkele steun te vinden in de stukken. Daarbij merkt de Raad nog op dat de verklaringen van appellanten zijn vastgelegd in op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal die aan appellanten zijn voorgelezen en die zij hebben ondertekend. Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellanten aan hun verklaringen kunnen worden gehouden.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat appellante over de periode van 1 januari 1998 tot 3 maart 2003 niet als een zelfstandig subject van bijstand is aan te merken, zodat over die periode geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande bestond. Door van de gezamenlijke huishouding in het betrokken tijdvak geen melding te maken, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden.

De omstandigheid dat de strafrechter appellanten terzake de schending van de inlichtingenverplichting over de periode van 30 juni 1998 tot 1 december 1999 heeft vrijgesproken, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, teminder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

Het College was - gelet op het voorgaande - op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van het recht op bijstand over de hier in geding zijnde periode en niet kan worden gezegd dat het College van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken.

Met betrekking tot de terugvordering overweegt de Raad dat met het voorgaande tevens is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering, zodat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de gemaakte kosten van de ten onrechte verleende bijstand terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het terzake de terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van dit beleid had moeten afwijken.

Nu gelet op het voorgaande vaststaat dat appellanten ten tijde in geding met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is voorts gegeven dat ten aanzien van appellant wat de terugvordering betreft is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de ten onrechte ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. Het College heeft in overeenstemming met het niet onredelijk geachte beleid tot terugvordering van appellant besloten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van dit beleid had moeten afwijken.

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB