Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC2061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06-5848 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5848 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 augustus 2006, 05/5776 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Polat-Kiliç, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 13 november 2007, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving vanaf 1 november 1999 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

In het kader van een in december 2003 gehouden heronderzoek heeft appellant aangegeven dat uit de relatie met [A.] (hierna: [A.]), met wie hij in de periode van 29 januari 2001 tot en met 25 juli 2001 heeft samengewoond, op 18 augustus 2003 een kind is geboren. Voorts heeft appellant in het kader van een nadien gehouden heronderzoek onder meer een bankafschrift van [A.] ingeleverd.

Naar aanleiding daarvan heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan en is een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het adres van appellant aan de [adres 1]. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 januari 2005. De resultaten van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 27 januari 2005 de aan appellant verleende bijstand met ingang van 1 februari 2005 te beëindigen.

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangezien uit de relatie van appellant en [A.] een kind is geboren, is ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellant en [A.] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord op grond van de bevindingen van het huisbezoek op 19 januari 2005. Tijdens dit huisbezoek zijn in de woning van appellant onder meer een groot aantal kledingstukken van [A.], persoonlijke spullen van [A.] waaronder studieboeken, een portemonnee, een afsprakenkaart en ponskaartje van een ziekenhuis alsmede inschrijfkaarten van de Erasmusuniversiteit, alles geadresseerd op [adres 1], en een compleet ingerichte babykamer aangetroffen. Voorts betrad [A.] tijdens het huisbezoek de woning met gebruikmaking van haar eigen sleutel.

Aan de verklaring die appellant in dit verband heeft gegeven dat [A.] tijdelijk bij hem verbleef in verband met een lekkage in haar woning gaat de Raad voorbij, nu uit navraag door het College bij de verhuurder van de woning van [A.] niet is gebleken dat [A.] een lekkage heeft gemeld, terwijl appellant ook anderszins niet heeft aangetoond dat er in de woning van [A.] ten tijde in geding sprake was van een lekkage die bewoning tijdelijk onmogelijk maakte.

Nu appellant en [A.] een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de WWB, moet appellant als gehuwd worden aangemerkt. Hij kon om die reden niet langer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en had dan ook geen recht meer op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.

Uit het voorgaande volgt dat het College bevoegd was om tot beëindiging van de bijstand over te gaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot beëindiging gebruik heeft kunnen maken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en R.H.M. Roelofs en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 december 2007.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) A. Badermann.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303,

2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding en het begrip duurzaam gescheiden leven.

RB1712