Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC2003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06-6719 WIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de Wik-uitkering van appellante terecht beëindigd op de grond dat hij in 2004 niet heeft voldaan aan de omzeteis. Vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 70
RSV 2008, 67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6719 WIK

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 oktober 2006, 05/6573 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Schuckink Kool, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2007. Voor appellante is verschenen mr. Schuckink Kool. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 14 oktober 2003 heeft het College aan appellante met ingang van

1 september 2003 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) toegekend. Dat besluit is mede gebaseerd op een positief advies van de directeur van de Stichting Kunstenaars, Cultuur en Ondernemerschap te Amsterdam (hierna: K&Co) van 27 augustus 2003 over de beroepsmatigheid van appellante in de zin van artikel 4 van de Wik.

In het kader van een heronderzoek naar het recht van appellante op Wik-uitkering, heeft K&Co op 28 oktober 2004 aan het College opnieuw advies uitgebracht over de beroepsmatigheid van appellante. Bij brief van 16 december 2004 heeft het College appellante gevraagd inlichtingen te verstrekken over haar bruto-omzet of bruto-inkomsten uit haar beroepspraktijk over het jaar 2004.

Bij besluit van 8 februari 2005 heeft het College de Wik-uitkering van appellante beëindigd op de grond dat zij niet heeft aangetoond dat zij in het jaar 2004 heeft voldaan aan de wettelijke inkomenseis.

Bij besluit van 12 augustus 2005 heeft het College het tegen het besluit van 8 februari 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 12 augustus 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het hier toepasselijke wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

Tussen partijen is in hoger beroep uitsluitend nog in geschil de vraag of het College, door de Wik-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2005 te beëindigen op de grond dat appellante in 2004 niet heeft voldaan aan de omzeteis, heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

In beroep heeft appellant zich eveneens op het vertrouwensbeginsel beroepen. De rechtbank heeft daarover het volgende overwogen, waarbij voor eiseres respectievelijk verweerder moet worden gelezen appellante en het College:

“Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet, nu geen sprake is van door het bevoegde bestuursorgaan opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen. De informatie waarop eiseres zich beroept is niet afkomstig van verweerder, maar van Kunstenaars & Co, de instelling die verweerder adviseert bij de verlening van uitkeringen ingevolge de WIK.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat eiseres op de hoogte had kunnen zijn van het feit dat de bruto omzet-eis voor haar geldt over 2004. Daartoe is het volgende in aanmerking genomen. Gebleken is dat eiseres, zoals valt af te leiden uit haar brief aan verweerder van 11 februari 2004 over haar inkomsten over 2003, er aanvankelijk vanuit ging dat zij over 2004 aan de omzet-eis diende te voldoen. Zij is daarover eerst in juni 2004, door de email van Kunstenaars & Co, op andere gedachten gebracht. Eiseres heeft echter voorts in oktober 2004 afschrift ontvangen van de heronderzoeksrapportage van Kunstenaars & Co van 28 oktober 2004. Hierin staat duidelijk vermeld dat eiseres over 2004 aan de wettelijk gestelde inkomenseis dient te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres op grond hiervan moeten begrijpen dat de omzet-eis, zoals zij zelf eerder ook dacht, (toch) voor haar gold over 2004. In ieder geval had van eiseres verwacht mogen worden dat zij contact had opgenomen met verweerder om opheldering te vragen. Nu zij dit niet heeft gedaan komt dit (ook) voor haar eigen risico.”.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dit oordeel rust. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Evenals de rechtbank acht de Raad daarbij met name van belang dat K&Co een adviesorgaan is. Ook al gaat het hier, zoals appellante op zichzelf bezien terecht stelt, om een adviesorgaan dat bij de voorbereiding van de besluitvorming van het College een zwaarwegende stem heeft, dat brengt nog niet met zich dat mededelingen van dat adviesorgaan aan een kunstenaar over diens Wik-aanspraken rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan het bestuursorgaan zelf. Anders dan appellante nog heeft aangevoerd, is de Raad van oordeel dat de rechtbank bij de verwerping van het beroep op het vertrouwensbeginsel ook overigens geen onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Hier doet zich niet de door appellante bedoelde situatie voor waarin namens het College onbevoegdelijk informatie is gegeven dan wel waarin het College had moeten weten - en vervolgens had dienen te voorkomen - dat onbevoegdelijk vertrouwen zou kunnen worden opgewekt, zodat de rechtbank terecht aan de stellingen van appellante op dit punt voorbij is gegaan.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en

J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.R. Bagga.

IJ020108