Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
07-1737 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekering ingevolge de AOW. Beleidsregels. Ingezetenschap eindigt 3 jaar na vertrek uit Nederland. Middelpunt van maatschappelijk leven in Nederland?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1737 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 februari 2007, 06/5719 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb),

Datum uitspraak: 27 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2007 waar appellant in persoon is verschenen, terwijl de SVB zich bij die gelegenheid heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Gersie, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant, geboren [in] 1945, heeft van augustus 1965 tot en met juli 1968 een opleiding tot missionaris gevolgd bij de Witte Paters in Engeland en België. Aansluitend heeft hij tot en met juli 1971 antropologie gestudeerd in Leuven, België, waarna hij aansluitend tot 17 juli 1973 in het toenmalige Opper-Volta heeft verbleven in het kader van promotieonderzoek.

Desgevraagd heeft de Svb appellant bij besluit van 17 februari 2006 medegedeeld dat hij gedurende de periode van 1 augustus 1968 tot en met 16 juli 1973 niet verzekerd is geweest ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Het bezwaar tegen dat besluit is bij besluit van 1 juni 2006 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Verzekerd ingevolge de AOW is degene die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en ingezetene is of, geen ingezetene zijnde, ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Ingezetene in de zin van de AOW is degene die in Nederland woont en waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Daarbij is doorslaggevend waar het middelpunt van het maatschappelijk leven van de betrokkene zich bevindt, wat wordt vastgesteld aan de hand van de juridische, economische en sociale binding.

Het geding is beperkt tot de vraag of appellant in de periode van juli 1968 tot en met juli 1971 verzekerd is geweest ingevolge de AOW. Appellant heeft in dat verband aangevoerd dat zijn studie antropologie als een informele Witte Paters opleiding moet worden beschouwd. Het was voor het eerst mogelijk een priesteropleiding buiten het seminarie, aan een niet-theologisch opleidingsinstituut, te volgen. Hij meent dat die periode, evenals de daaraan voorafgaande periode waarin hij een studie bij de Witte Paters volgde, als voor de AOW verzekerd tijdvak moet worden aangemerkt.

De Svb stelt zich, onder verwijzing naar zijn beleidsregels inzake het niet langer verzekerd zijn na vertrek uit Nederland, op het standpunt dat aan het ingezetenschap van appellant in ieder geval drie jaar na zijn vertrek uit Nederland op 14 juli 1965 een einde is gekomen.

Met de rechtbank en de Svb is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellant zich na juli 1968 nog in Nederland bevond. In dat verband stelt de Raad zich achter hetgeen de rechtbank heeft overwogen.

Ten aanzien van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad dat, ook indien de studie antropologie te Leuven als een informele Witte Paters opleiding zou kunnen worden beschouwd, appellant zijn ingezetenschap van Nederland in ieder geval in de zomer van 1968 heeft verloren. Terecht heeft de Svb in haar verweerschrift opgemerkt dat de situatie van appellant anders is dan in de brief van de Svb van 12 november 1963 is vermeld. Om die reden kan appellant ook niet met succes een beroep doen op de inhoud van die brief.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

IJ