Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1817

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
06-6657 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Overschrijding redelijke termijn?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6657 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 oktober 2006, 06/1645

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Bredius, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2007. Appellante en

haar gemachtigde zijn verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C.M. Bergfeld, werkzaam bij de gemeente Zeist.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving van het College sedert 1 augustus 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van de melding dat appellante samenwoont met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) heeft de Sociale Recherche van de gemeente Zeist een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn inlichtingen ingewonnen bij de politie en de Rijksdienst voor het Wegverkeer, is een huisbezoek aan de woning van appellante gebracht, zijn appellante en [betrokkene] verhoord en hebben enkele personen verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 augustus 2004. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 10 oktober 2005 het recht op bijstand over de periode van 8 maart 2003 tot en met 31 januari 2004 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.891,88 van appellante terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante gedurende de betreffende periode, zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [betrokkene], werkzaamheden heeft verricht in een artsenpraktijk en vakanties in het buitenland heeft doorgebracht.

Bij besluit van 21 februari 2006 heeft het College het tegen het besluit van

10 oktober 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 21 februari 2006 ingestelde beroep op formele gronden gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Daartoe heeft appellante - samengevat - aangevoerd dat [betrokkene] ten tijde in geding slechts bij haar heeft gelogeerd en dat zij in de artsenpraktijk alleen af en toe hand- en spandiensten heeft verricht. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante daaraan nog toegevoegd dat het College de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft overschreden, hetgeen voor appellante, gelet op haar gezondheidssituatie, extra belastend is geweest.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet alsmede ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van die artikelen is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellante en [betrokkene] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Ook de Raad acht daarvoor de eigen verklaring van appellante, welke steun vindt in de verklaring van [betrokkene], doorslaggevend. De Raad ziet voorts geen aanleiding appellante te volgen in haar stelling dat het proces-verbaal geen juiste weergave zou vormen van hetgeen zij ten overstaan van de Sociale Recherche heeft verklaard. De Raad merkt ten slotte nog op dat door appellante niet zozeer de feiten zijn betwist, maar dat daaraan door haar slechts een andere interpretatie wordt gegeven.

Het voorgaande betekent dat appellante ten tijde in geding geen zelfstandig subject van bijstand was, zodat zij - reeds daarom - geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Dit betekent dat de gestelde activiteiten/werkzaamheden ten behoeve van de artsenpraktijk alsmede de buitenlandse vakanties verder buiten bespreking kunnen blijven. Appellante heeft voor het voeren van een gezamenlijke huishouding in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt bij het College.

Het College was derhalve bevoegd tot intrekking van de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB alsmede tot terugvordering van de kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking en terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van de beleidsregels had moet afwijken.

Ten aanzien van de gestelde overschrijding van de redelijke termijn overweegt de Raad nog het volgende.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van

4 november 2005, LJN AU5643) dient bij de vraag of de redelijke termijn van geschilbeslechting in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden als aanvangstijdstip te worden genomen het moment waarop sprake is van een geschil, dat wil zeggen dat - ten minste - een standpunt van het bestuursorgaan kenbaar is, ter zake waarvan mag worden aangenomen, of duidelijk is gemaakt dat de wederpartij het daarmee niet eens is en zich daartegen in een procedure wil verzetten. De Raad ziet geen aanleiding daarover thans anders te oordelen. Tegen deze achtergrond acht de Raad de opvatting van appellante, dat in het kader van de toetsing of de redelijke termijn uit deze verdragsbepaling is geschonden zou moeten worden gerekend vanaf het tijdstip dat de Sociale Recherche - volgens appellante reeds op 15 januari 2004 - met het onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand van appellante is gestart, niet juist. De Raad stelt vervolgens vast dat de procedure vanaf het indienen van het bezwaarschrift tot aan de datum van deze uitspraak van de Raad afgerond twee jaar en twee maanden heeft geduurd. Daarmee is gegeven dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM niet is overschreden. Hetgeen appellante heeft aangevoerd kan hier niet aan afdoen.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en

R.H.M. Roelofs en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) J.M.A. Kolk-Severijns.

(get.) A. Badermann.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake van het begrip gezamenlijke huishouding.

BKH 181207