Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
06-5671 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstand alleenstaande. Ten onrechte is aan besluit ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet was vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5671 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 augustus 2006, 05/4537 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage

(hierna: College)

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. E.H. Visser, advocaat te

’s-Gravenhage.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 8 december 2004 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Daarbij heeft zij aangegeven dat haar echtgenoot was vertrokken en dat zij alleen met haar kinderen woonde.

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 19 mei 2005. Aan dit laatste besluit is ten grondslag gelegd dat op grond van een huisbezoek onvoldoende aannemelijk is dat de echtgenoot de gezamenlijke woning had verlaten, zodat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het besluit van 19 mei 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In geding is de vraag of appellante gedurende de hier van belang zijnde periode, welke loopt van de datum van aanvraag tot en met de datum waarop het primaire besluit is genomen (dus van 8 december 2004 tot en met 31 januari 2005) duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB moest worden aangemerkt. Van duurzaam gescheiden levende echtgenoten is eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op grond van het huisbezoek en de overige van belang zijnde gegevens voldoende duidelijk is dat appellante ten tijde van belang niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Daarbij acht de Raad van belang dat de echtgenoot destijds in de gemeentelijke basisadministratie nog geregistreerd stond op het adres van appellante, dat hij weliswaar volgens verklaring van appellante met de noorderzon was vertrokken maar dat al zijn persoonlijke spullen zoals kleding en toiletartikelen, alsmede zijn paspoort nog in de woning aanwezig waren. De in bezwaar overgelegde gegevens van het reisbureau, waaruit zou moeten blijken dat de echtgenoot op 24 oktober 2004 naar Turkije is gereisd en op 18 januari 2005 is teruggekeerd, waarna hij op 12 februari 2005 weer naar Turkije is vertrokken, maken dit niet anders. De laatste datum valt buiten de hier van belang zijnde periode, en de andere data wijzen niet meer uit dan dat de echtgenoot tijdelijk in Turkije is geweest. Dat is onvoldoende om van een als bestendig bedoelde verbreking van de echtelijke samenleving te kunnen spreken. Dat zijn bedrijf destijds geen activiteiten meer ontplooide, geeft geen enkele indicatie over zijn verblijfplaats.

Dat appellante nadien van haar echtgenoot is gescheiden en wel in aanmerking is gebracht voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is voor de hier van belang zijnde periode niet doorslaggevend.

Het vorenstaande betekent dat appellante ten tijde in geding niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op een bijstandsuitkering. Aan het besluit van 19 mei 2005 is dan ook ten onrechte ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet was vast te stellen.

De gevraagde bijstand is terecht geweigerd, maar op een onjuiste grond. Hieruit volgt dat de rechtbank het besluit van 19 mei 2005 ten onrechte in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 19 mei 2005 gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Raad voorts aanleiding de rechtgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding wordt afgewezen.

De Raad ziet tot slot aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante wegens verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en eveneens op € 644,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 mei 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand blijven;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en K. Zeilemaker en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

BKH 181207