Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1810

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
06-4399 en 06-5031 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Juistheid medische component van de schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4399 en 06/5031 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[betrokkene] (hierna betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 juli 2006, 04/561 (de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. P.J. Hagemeijer, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben wederzijds verweer gevoerd. Het Uwv heeft op 7 november 2007 een nader arbeidskundig rapport ingezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 7 december 2007. Betrokkene is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.G. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 25 mei 2004 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Aan betrokkene is een WAO-uitkering toegekend. Deze werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Bij besluit van 21 november 2003 is deze uitkering per 6 oktober 2003 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

25-35%. Het besluit van 25 mei 2004 heeft het Uwv genomen naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 november 2003. De ingangsdatum van de verlaging is daarbij verschoven naar 22 januari 2004.

Betrokkene heeft diverse medische arbeidsbeperkingen. Hierdoor kan hij zijn eigen werk als lasser niet meer doen, maar ander werk kan hij nog wel verrichten. De arbeidsdeskundige heeft hiervan voorbeelden geselecteerd en het inkomensverlies berekend op ongeveer 31½ %.

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. Zij hebben daarbij niet de medische component van de schatting ter discussie gesteld.

Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen de verwerping van zijn beroepsgrond dat functies met een te hoog opleidingsniveau zijn gebruikt. Dit hoger beroep slaagt niet. Op dit onderdeel onderschrijft de Raad de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Er is geen reden waarom de functies voor betrokkene niet toegankelijk zijn. Met de aanwijzingen uit het capaciteitenonderzoek tijdens het reïntegratietraject heeft de arbeidsdeskundige al rekening gehouden door bij de selectie van functies het opleidingsniveau van 4 naar 3 te verlagen.

Het hoger beroep van het Uwv ziet op de overwegingen dat het claimbeoordelings- en borgingssysteem niet verzekert dat alle (mogelijke) overschrijdingen van de belastbaarheid in de resultaten kenbaar zijn. Dit hoger beroep slaagt. In zijn uitspraken van 12 oktober 2006, LJN AY9971, inzake de door het Uwv naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, LJN AR4717, aan het CBBS aangebrachte aanpassingen, heeft de Raad overwogen het genoegzaam aannemelijk te achten dat het aangepaste systeem, zowel bij de matchende als bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde - welke zich doorgaans zullen kunnen voordoen indien hij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde - alle onderkent en signaleert, waarmee wordt bereikt dat voor alle betrokkenen - de verzekerde zelf, diens eventuele rechtshulpverlener alsmede de rechter - op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting, onder omstandigheden als resultaat van voorafgaand overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts, noodzakelijk is ter onderbouwing van de passendheid van de betreffende functies.

De Raad is voorts van oordeel dat het Uwv, zij het in de loop van de rechtbankprocedure, afdoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag liggende functies de belastbaarheid van betrokkene niet overtreft.

Dit alles betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven in zoverre daarbij het Uwv is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene. In de plaats daarvan zal de Raad de rechtsgevolgen van het besluit van 25 mei 2004 in stand laten.

Voor een proceskostenveroordeling in het hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, uitsluitend in zoverre daarbij het Uwv is opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van betrokkene;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 25 mei 2004 in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.R.H. van Roekel.

JL