Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1807

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
06/4193 ANW e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering betaalde ANW-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Afwijzing van het verzoek om herleving uitkering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 176 met annotatie van H.E. Bröring
RSV 2008, 60
ABkort 2008/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4193 ANW

06/4194 ANW

06/4195 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2006, 03/5274, 04/6664, 06/259 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. van der Schuur, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Vermaat.

II. OVERWEGINGEN

Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene ontving met ingang van 1 mei 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welke uitkering met ingang van 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw).

Nadat bleek dat er op het woonadres van betrokkene meer personen waren ingeschreven is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene toegekende nabestaandenuitkering.

Op grond van de bevindingen van dit onderzoek is bij besluit van 15 juli 2003 de nabestaandenuitkering met ingang van 31 maart 1999 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert met [partner] (hierna: [partner]).

Bij besluit van 1 oktober 2003 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van

15 juli 2003 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de nabestaandenuitkering met ingang van 30 april 1999 (lees: 1 mei 1999) wordt beëindigd.

Bij besluit van 7 oktober 2003 heeft appellant de teveel betaalde uitkering tot een bedrag van € 31.416,61 van betrokkene teruggevorderd. Tevens is daarbij een invorderingsbesluit genomen.

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van

7 oktober 2003 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het besluit van 2 maart 2004 heeft betrokkene geen rechtsmiddel aangewend.

Nadat appellant de aflossingscapaciteit van betrokkene opnieuw had onderzocht is bij besluit van 7 mei 2004 een nieuw invorderingsbesluit genomen met dien verstande dat betrokkene de vordering vanaf mei 2004 dient te betalen in 12 maandelijkse termijnen van € 314,-- en een bedrag ineens van € 27.648,61 voor mei 2005.

Bij besluit van 2 december 2004 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van

7 mei 2004 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 juli 2005 heeft appellant het verzoek van betrokkene om herleving van de nabestaandenuitkering afgewezen.

Het bezwaar tegen het besluit van 6 juli 2005 is met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek van betrokkene doorgezonden naar de rechtbank met het verzoek om het als beroep te behandelen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, de beroepen tegen de besluiten van 1 oktober 2003 en

2 december 2004 gegrond verklaard voor zover betrekking hebbende op de perioden van 6 februari 2001 tot 12 november 2002 en van 3 november 2003 tot 1 januari 2005, deze besluiten in zoverre vernietigd, het beroep tegen het besluit van 6 juli 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat appellant nieuwe besluiten neemt op de bezwaren van betrokkene met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat [partner] gedurende de perioden dat hij in de Verenigde Staten verbleef zijn hoofdverblijf niet had op het adres van betrokkene, waardoor betrokkene in die perioden geen gezamenlijke huishouding met [partner] voerde. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant de aflossingscapaciteit niet juist heeft berekend omdat appellant is uitgegaan van een onjuist terugvorderingsbedrag.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe is aangevoerd dat de rechtbank met betrekking tot het besluit van 1 oktober 2003 buiten de omvang van het geschil is getreden nu de rechtbank zich ten onrechte niet heeft beperkt tot een beoordeling van de aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding op 30 april 1999, maar tevens een oordeel heeft gegeven over perioden tot 1 januari 2005. Met betrekking tot het besluit van 2 december 2004 is appellant van oordeel dat de rechtbank evenzo buiten de omvang van het geschil is getreden nu de rechtbank zich heeft uitgelaten over het rechtens onaantastbare terugvorderingsbesluit van 7 oktober 2003. Tenslotte is met betrekking tot het besluit van 6 juli 2005 gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de gezamenlijke huishouding tijdens de perioden dat [partner] in de Verenigde Staten verbleef is onderbroken, en dat de nabestaandenuitkering in die perioden diende te herleven.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking van de nabestaandenuitkering met ingang van 1 mei 1999

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ter verzorging van een hulpbehoevende. Uit het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de Anw volgt dat het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin een in het eerste lid onder b genoemde omstandigheid zich voordoet.

De Raad is met appellant van oordeel dat uit artikel 16 van de Anw volgt dat bij een intrekking als hier in geding ter beoordeling staat of de nabestaande in de maand voorafgaand aan de intrekkingsdatum een gezamenlijke huishouding is gaan voeren anders ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. In het besluit op bezwaar is vastgesteld dat betrokkene sinds 29 april 1999 een gezamenlijke huishouding in evenbedoelde zin voert met [partner]. Door in het kader van de beoordeling van het beroep tegen het intrekkingsbesluit tevens een oordeel te geven over het bestaan van een gezamenlijke huishouding over tijdvakken gelegen na de ingangsdatum van de intrekking van de Anw is de rechtbank getreden buiten de grenzen van het haar voorgelegde geschil. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Het hoger beroep slaagt in zoverre.

De in dit geding te beoordelen vraag of betrokkene in april 1999 een gezamenlijke huishouding anders dan ten behoeve van een hulpbehoevende is gaan voeren beantwoordt de Raad met appellant bevestigend.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Anw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat voor de Raad vast, dat betrokkene en [partner], die niet hulpbehoevend was, sinds 29 april 1999 hun hoofdverblijf hadden in de woning van [partner]. Verder staat vast dat betrokkene en [partner] op

28 december 1998 een samenlevingsovereenkomst hebben gesloten waarin zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding.

Gelet op het vorenstaande is terecht aangenomen dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 16, tweede lid, van de Anw is voldaan met ingang van 1 mei 1999. Appellant was op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw gehouden per die datum de Anw-uitkering van betrokkene in te trekken. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw.

Dit betekent dat de intrekking van de nabestaandenuitkering van betrokkene met ingang van 1 mei 1999 in stand had moeten worden gelaten .

De afwijzing van de verzoeken om herleving

Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Anw, herleeft het recht op nabestaandenuitkering voor de nabestaande wiens uitkering op grond van het eerste lid, onderdeel

b, wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding is geëindigd, met ingang van de eerste dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het eindigen van de nabestaandenuitkering, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert.

De Raad is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de gezamenlijke huishouding van betrokkene en [partner] is beëindigd uiterlijk zes maanden na het eindigen van de nabestaandenuitkering op 1 mei 1999. Dit betekent dat betrokkene op grond van de Anw geen recht had op herleving van haar nabestaandenuitkering.

Het door appellant vastgestelde beleid ten aanzien van herleving van een nabestaandenuitkering wijkt af van artikel 16, eerste lid, van de Anw, omdat het aanvangstijdstip van de termijn van zes maanden niet wordt gesteld op het moment van eindigen van de nabestaandenuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding maar op de dag van bekendmaking van het primaire intrekkingsbesluit. Appellant onderzoekt dan of de gezamenlijke huishouding feitelijk is verbroken.

Indien de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht is ingetrokken omdat een gezamenlijke huishouding is vastgesteld, vangt de termijn van zes maanden, zoals genoemd in het derde lid van artikel 16, volgens dat beleid aan met ingang van de dag na bekendmaking van het primaire besluit, in dit geval dus op 16 juli 2003 en eindigde op

15 januari 2004.

Het door appellant vastgestelde beleid moet naar het oordeel van de Raad worden gekwalificeerd als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. In het kader van die beperkte toetsing behoeft, anders dan de rechtbank heeft gedaan, niet te worden onderzocht of juist is dat betrokkene in de periode van

6 februari 2001 tot 12 november 2002 geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [partner]. Het buitenwettelijke beleid van appellant markeert het aanvangstijdstip van de periode van zes maanden immers uitdrukkelijk op de dag na bekendmaking van het primaire intrekkingsbesluit, opent de mogelijkheid van herleving indien binnen zes maanden na laatstbedoelde datum het voeren van een gezamenlijke huishouding weer is beëindigd en ziet niet op een situatie dat meer dan zes maanden na het eindigen van de nabestaandenuitkering maar al voor de bekendmaking van het intrekkingsbesluit tijdelijk sprake zou zijn geweest van het niet meer voeren van een gezamenlijke huishouding. In het kader van die beperkte toetsing is wel relevant dat appellant heeft geoordeeld dat de gezamenlijke huishouding niet is onderbroken tijdens het verblijf van [partner] in de Verenigde Staten in de periode van 3 november 2003 tot 1 januari 2005. Daarbij heeft appellant in het geval van betrokkene aansluiting gezocht bij het beleid inzake ingezetenschap en in dat verband onder meer in aanmerking genomen dat het samenlevingscontract niet is beëindigd, de gezamenlijke woning in Nederland werd aangehouden, de kosten daarvoor werden doorbetaald, en het verblijf in de Verenigde Staten enkel was gericht op het verwerven van inkomsten, waardoor [partner] een voortdurende band hield met Nederland.

De Raad is van oordeel dat appellant daarbij een onjuist criterium heeft gehanteerd, nu het in dit geding niet gaat om de beoordeling van het ingezetenschap van [partner], maar of de gezamenlijke huishouding van betrokkene en [partner] binnen zes maanden na 16 juli 2003 feitelijk is verbroken.

Vaststaat dat [partner] op 3 november 2003 naar de Verenigde Staten is vertrokken en dat hij daar tot 1 januari 2005 heeft verbleven in een door hem gehuurd appartement, terwijl betrokkene in die periode verbleef op haar woonadres in Bussum.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad met betrekking tot de gezamenlijke huishouding hoeft het aanhouden van afzonderlijke adressen niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat in het geval van betrokkene en [partner] niet is gebleken dat laatstbedoelde situatie zich ten tijde hier van belang voordeed. De door appellant aangevoerde omstandigheden bieden daarvoor naar het oordeel van de Raad onvoldoende feitelijke grondslag. Zoals gezegd huurde [partner] gedurende zijn verblijf in de Verenigde Staten een appartement. Hij is in die periode om zakelijke redenen enkele keren voor enkele dagen naar Nederland teruggekeerd alsmede in verband met ziekte en het overlijden van zijn moeder. Betrokkene heeft in die periode slechts twee keer gedurende een korte tijd een bezoek gebracht aan [partner] in de Verenigde Staten. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat door betrokkene en [partner] slechts de woning van een van hen beiden wordt gebruikt.

Gezien het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat door het vertrek van [partner] per 3 november 2003 een verbreking van de gezamenlijke huishouding heeft plaatsgevonden en dat het beleid van appellant niet op consistente wijze is toegepast voor zover het gaat om een herleving van het recht op nabestaandenuitkering per november 2003. Het besluit van 6 juli 2005 kan dan ook niet in stand blijven voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om herleving van de nabestaandenuitkering vanaf november 2003 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De invordering

Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden nu de rechtbank in het kader van de beoordeling van de invordering heeft geoordeeld dat het bedrag van de terugvordering ad € 31.416,16 niet juist is. De juistheid van dat bedrag stond niet ter beoordeling van de rechtbank, gelet op het door betrokkene niet bestreden, in rechte onaantastbaar geworden terugvorderingsbesluit van

7 oktober 2003. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Ter zitting van de Raad is namens appellant desgevraagd verklaard dat het invorderingsbesluit niet wordt gehandhaafd indien het besluit tot afwijzing van het verzoek tot herleving niet in stand kan blijven. Gelet op deze verklaring en op hetgeen hiervoor is overwogen kan ook het besluit van 2 december 2004 niet in stand worden gelaten.

Slotoverwegingen

Gelet op het vorenstaande zal de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen, met uitzondering van de bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, en doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

Voorts ziet de Raad aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2003 ongegrond;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 2 december 2004 en 6 juli 2005 gegrond;

Vernietigt het besluit van 2 december 2004;

Vernietigt het besluit van 6 juli 2005 voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om herleving van de nabestaandenuitkering per november 2003;

Bepaalt dat appellant nieuwe besluiten op de bezwaren tegen de besluiten van 7 mei 2004 en 6 juli 2005 neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en K. Zeilemaker en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

BKH 181207