Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-1010 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van: geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 145 met annotatie van A.T. Marseille
ABkort 2008/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1010 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 januari 2006, 05 - 3575 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A. Swildens, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Swildens. Het Uwv heeft zich, ambtshalve opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. M. Frederiks. Tevens was aanwezig als medegemachtigde A.L. Smit, voormalig huisarts van appellante.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als productiemedewerkster en is in maart 1988 uitgevallen met rug- en heupklachten en dysthyme klachten. Bij het einde van de wachttijd zijn haar uitkeringen ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Deze uitkeringen zijn per 1 juni 1994 ingetrokken. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is ingetrokken nadat psychiater dr. M. Kabela op 29 mei 1995 en psychiater B. Hoek op 15 augustus 1995 ten aanzien van appellante hadden gerapporteerd.

Na de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit die situatie heeft zij zich per 7 augustus 1995 ziek gemeld met psychische klachten. Tot 18 maart 1996 heeft zij ziekengeld ontvangen. Bij besluit van 22 maart 1996 is appellante een uitkering ingevolge de WAO geweigerd, omdat sedert de ziekmelding van 7 augustus 1995 geen 52 weken waren verlopen.

In november 1997 heeft appellante een uitkering ingevolge de AAW aangevraagd. Bij besluit van 28 oktober 1998 is haar per 31 mei 1997 een AAW-uitkering toegekend, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Daarbij is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair vastgesteld op 1 juni 1996.

Op 23 december 1998 heeft appellante zich alsnog per 18 maart 1996 ziek gemeld. Met die melding is niets gedaan. Vervolgens heeft appellante bij brief van 27 november 2003, aangevuld bij brief van 24 december 2003, bezwaar gemaakt tegen de hersteldverklaring per 18 maart 1996. Bij besluit van 16 januari 2004 is dit bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 16 januari 2004 ingestelde beroep bij uitspraak van 28 september 2004 ongegrond verklaard.

Inmiddels had de gemachtigde van appellante het Uwv bij brief van 19 april 2004 verzocht terug te komen van de hersteldverklaring per 18 maart 1996 op de grond dat appellante ook in de periode van 18 maart 1996 tot 1 juni 1996 volledig arbeidsongeschikt was en dat ten onrechte geen doorlopende arbeidsongeschiktheid was aangenomen. Voorts is bij brief van 6 september 2004 verzocht alsnog over de periode van 18 maart 1996 tot 7 augustus 1996 ziekengeld te betalen. Het Uwv heeft deze verzoeken bij besluit van 26 november 2004 afgewezen. Daarbij is ten aanzien van het eerste verzoek verwezen naar de beoordeling door de verzekeringsarts in 1998 in het kader van de aanvraag van de AAW-uitkering en gesteld dat in het kader van die beoordeling al was beslist dat er geen aanleiding was doorlopende arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Het tweede verzoek is afgewezen op de grond dat het appellante na het stoppen van de betaling van ziekengeld en het besluit van 22 maart 1996 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij hersteld was verklaard en dat appellante bij het uitblijven van een beslissing over de hersteldverklaring daarnaar had kunnen informeren, hetgeen zij niet heeft gedaan.

Bij besluit van 30 juni 2005 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen de weigering van het Uwv een besluit op haar bezwaar tegen het besluit van 26 november 2004 te nemen gegrond verklaard en is het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2004 ongegrond verklaard, waarbij toepassing is gegeven aan artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Het Uwv heeft het onderhavige verzoek afgewezen met een beroep op artikel 4:6 van de Awb. De vraag is of is voldaan aan de voor de toepassing van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb gestelde voorwaarde dat sprake is van een in rechte vaststaand besluit, nu zich in het dossier geen besluit bevindt waarbij aan appellante per 18 maart 1996 ziekengeld is geweigerd.

Uit de uitspraak van de rechtbank van 28 september 2004 blijkt dat de rechtbank destijds ervan is uitgegaan dat op 18 maart 1996 een besluit tot weigering van ziekengeld is genomen en dat daartegen niet tijdig bezwaar is gemaakt. Appellante heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Daarmee staat het oordeel van de rechtbank in rechte vast. Gelet daarop dient ervan te worden uitgegaan dat het Uwv een besluit terzake van de weigering van ziekengeld per 18 maart 1996 heeft genomen. Dat een schriftelijke weergave van dit besluit niet (meer) is te traceren, kan naar het oordeel van de Raad aan het vorenstaande niet afdoen.

Bij het verzoek van 19 april 2004 is namens appellante gesteld dat haar medische situatie in de periode van 18 maart 1996 tot 1 juni 1996 niet is gewijzigd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij drie keer opgenomen is geweest in het ziekenhuis met een ernstige depressie en een sterke doodswens. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van haar huisarts van 11 februari 2004, een rekening van 4 juni 1996 van een ongedateerde opname in een Turks ziekenhuis, een recept van een Turkse psychiater van 22 mei 1996 en een korte verklaring van deze psychiater van 28 mei 1996 meegezonden. Appellante heeft de indruk dat de hersteldmelding per 18 maart 1996 was ingegeven door de omstandigheid dat de verzekeringsarts niet wilde dat zij voor behandeling naar Turkije reisde, hetgeen zij in maart en mei 1996 toch heeft gedaan.

De Raad is van oordeel dat hetgeen namens appellante is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

De Raad overweegt daartoe dat uit de brief van de huisarts Smit aan dr. Kabela van 18 april 1995 blijkt dat bij appellante toen sprake was van dysforie. De huisarts maakte zich echter wel zorgen omdat de vader van appellante op latere leeftijd een schizoïde psychose had ontwikkeld. Uit de rapporten van Kabela en Hoek blijkt dat medio 1995 bij appellante sprake was van een (chronisch) depressief syndroom, waardoor er arbeidsbeperkingen waren maar geen onvermogen tot arbeid. De Raad gaat er vanuit dat ten tijde van de ziekmelding per 7 augustus 1995 sprake is geweest van een toename van de depressieve klachten. Gelet op de brief van huisarts Smit van 11 februari 2004 en zijn nadere verklaring ter zitting van de Raad, acht de Raad voldoende aannemelijk dat bij appellante vanaf november 1995 sprake is van een schizo-affectieve stoornis. De Raad is echter tevens van oordeel dat geen van de door appellante ingediende stukken informatie bevat die een nieuw licht werpt op de psychische toestand van appellante op 18 maart 1996 en de periode daarna. De stukken die appellante in eerste aanleg nog heeft ingezonden, wat daar overigens ook van zij, kunnen gelet op de in het onderhavige geding aan te leggen toets bij de beoordeling geen rol meer spelen. De conclusie is dan ook dat appellante bij haar verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd.

Appellantes grief dat de zeer strikte uitleg die de bestuursrechter geeft aan artikel 4:6 van de Awb zodanig nadelig is voor de burger dat van een eerlijke en openbare behandeling van de zaak geen sprake meer is, volgt de Raad niet. Met artikel 4:6 van de Awb heeft de wetgever de burger, die geen gebruik heeft gemaakt van de hem ten dienste staande rechtsmiddelen, de mogelijkheid gegeven om door het inbrengen van nova alsnog een heroverweging van het bestreden besluit te bewerkstelligen. Dat blijkens de jurisprudentie van de Raad het begrip nova strikt wordt uitgelegd is geen omstandigheid die maakt dat de procedure bij de rechter niet voldoet aan de daaraan op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheiden te stellen eisen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het Uwv bevoegd was om met toepassing van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb het verzoek van appellante af te wijzen. Voorts kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E.Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. van Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. van Bree.

CVG