Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1697

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-506 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu onbetwist vaststaat dat betrokkene al (veel) langer dan twee jaar tot geen enkele arbeid in staat is en herstel niet is te verwachten, kan de weigering van het functieongeschiktheidsadvies niet in de weg staan aan een ontslag op grond van ongeschiktheid ten gevolge van lichamelijke of psychische oorzaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/506 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs Almere (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 december 2005, 04/273 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellante

Datum uitspraak: 20 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2007. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch,en door R.C. Sira, werkzaam bij appellante. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. uit de Fles, advocaat te Almere.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is met ingang van 1 december 1997 in tijdelijke dienst aangesteld als schoolassistent en tewerkgesteld bij basisschool “De Flierefluiter” in Almere. Zij heeft zich op 12 februari 1998 ziek gemeld, heeft daarna af en toe nog enige dagen gewerkt, maar is sinds 14 april 1998 nagenoeg onafgebroken met ziekteverlof. Met ingang van 1 augustus 1998 is zij in vaste dienst aangesteld. Bij besluit van 16 februari 1999 heeft het Landelijk instituut sociale verzekeringen geweigerd aan betrokkene een WAO-uitkering toe te kennen op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid geen rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg was van ziekte of gebrek. Tegen dit besluit zijn door partijen geen rechtsmiddelen ingesteld.

1.2. De bedrijfsarts heeft betrokkene met ingang van 20 september 1999 gedeeltelijk geschikt verklaard voor haar eigen werk. Met ingang van 28 mei 2001 is betrokkene volledig arbeidsongeschikt bevonden. Op advies van de bedrijfsarts heeft appellante in oktober 2001 getracht betrokkene op arbeidstherapeutische basis enkele dagen per week te laten werken. Deze poging tot re-integratie is zonder succes gebleven.

1.3. Een verzekeringsarts heeft op 14 april 2002 vastgesteld dat betrokkene niet met arbeid belastbaar is. Naar aanleiding daarvan heeft appellante een zogenoemd functieongeschiktheidsadvies als bedoeld in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (hierna: BZA) gevraagd. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat na de afwijzing van de WAO-aanvraag in 1999 geen nieuwe ziekmelding was ontvangen.

1.4. Bij besluit van 12 mei 2003 heeft appellante betrokkene met ingang van 15 augustus 2003 eervol ontslag verleend vanwege ongeschiktheid voor de eigen functie, anders dan op grond van lichamelijke of psychische oorzaken. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 7 februari 2004 (hierna: bestreden besluit) ongegrond is verklaard. Betrokkene heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

2. De in de beroepsfase door de rechtbank benoemde deskundige heeft betrokkene ongeschikt voor haar functie geacht. Blijkens zijn rapport heeft hij de diagnose ‘schizofrenie resttype’ gesteld, waarbij sprake is van een chronisch psychiatrisch ziektebeeld. Volgens de deskundige bestond deze ongeschiktheid al voor haar indiensttreding en is herstel binnen een periode van zes maanden redelijkerwijs niet te verwachten.

De rechtbank heeft daarom bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en aan appellante opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank was er bij betrokkene ten tijde van het ontslag sprake van ziekte en kan uit de rapportage van de deskundige niet worden afgeleid dat er geen sprake was van ziekte of gebrek.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij weliswaar de conclusie van de rechtbank deelt dat bij betrokkene ten tijde van het ontslag - en ook voordien - sprake was van ziekte, maar dat het niet mogelijk was betrokkene ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid wegens ziekten of gebreken, nu het UWV niet bereid was een functieongeschiktheidsadvies uit te brengen.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat niet langer in geschil is dat betrokkene om medische redenen niet in staat is arbeid te verrichten. Evenals de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat appellante het ontslag ten onrechte heeft gegrond op ongeschiktheid anders dan wegens ziekte of gebrek. De grieven van appellante treffen in zoverre geen doel.

4.2. Ingevolge het ten tijde van belang geldende artikel II-D3, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, voorzover hier van belang, beëindigt het bevoegd gezag het dienstverband op grond van het geraken in een toestand van ongeschiktheid ten gevolge van lichamelijk of psychische oorzaken, zulks met inachtneming van de bepalingen van artikel 20 van het BZA. Dit artikel luidt voor zover van belang als volgt:

Art 20 ….

2. Indien blijkt dat de betrokkene op grond van ziekten of gebreken is geraakt in een toestand van blijvende ongeschiktheid om aan de aan zijn functie gestelde vereisten te voldoen, kan hij worden ontslagen, mits:

a. deze blijvende ongeschiktheid onafgebroken 2 jaar heeft geduurd en ;

b. herstel binnen een periode van 6 maanden na deze 2 jaar redelijkerwijs niet is te verwachten en;

c. er bij het bevoegd gezag voor betrokkene geen reële herplaatsingsmogelijkheden zijn.

4.3. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat betrokkene ten tijde van belang op grond van haar psychische aandoening niet kon voldoen aan de aan haar functie gestelde eisen, dat die situatie al bestond vanaf de aanvang van het dienstverband, derhalve onafgebroken gedurende meer dan twee jaren en dat herstel binnen een periode van zes maanden redelijkerwijs niet was te verwachten. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat appellante diverse re-integratiepogingen heeft ondernomen, die echter steeds vruchteloos zijn gebleken. Het was niet mogelijk betrokkene binnen het gezagsbereik van appellante in een andere functie te herplaatsen, omdat er binnen het onderwijs geen lichtere functies zijn dan die van schoolassistent.

De Raad concludeert hieruit dat feitelijk is voldaan aan alle voorwaarden die artikel 20 van het BZA stelt aan een ontslag op grond van ongeschiktheid ten gevolge van lichamelijke of psychische oorzaken.

4.4. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat in dit geval, nu onbetwist vaststaat dat betrokkene al (veel) langer dan twee jaar tot geen enkele arbeid in staat is en herstel niet is te verwachten, de weigering van het functieongeschiktheidsadvies niet in de weg kan staan aan een ontslag op grond van ongeschiktheid ten gevolge van lichamelijke of psychische oorzaken.

4.5. De Raad zal op grond van het vorenstaande met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) daarom het primaire besluit van 12 mei 2003 herroepen en zelf in de zaak voorziend bepalen dat betrokkene eervol ontslag wordt verleend per 15 augustus 2003 wegens ongeschiktheid voor haar functie op grond van lichamelijke of psychische oorzaken. De Raad zal tevens bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 12 mei 2003.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd, voor zover het betreft de opdracht aan appellante een nieuw besluit te nemen, en moet de uitspraak worden bevestigd voor het overige.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellante op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-.

7. Van appellante dient voorts op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet alsnog griffierecht te worden geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat appellante een nieuw besluit neemt;

Verleent betrokkene op grond van ongeschiktheid ten gevolge van lichamelijke of psychische oorzaken met ingang van 15 augustus 2003 eervol ontslag uit haar functie van schoolassistent in algemene dienst;

Bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 12 mei 2003;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt appellante in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 644,-, door de gemeente Almere te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van de gemeente Almere een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) K. Moaddine.

HD

28.12

Q