Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
05-7036 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Geschiktheid en belastbaarheid geselecteerde functies.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/72
USZ 2008/40 met annotatie van M. Koolhoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7036 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 november 2005, 04/3151 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene].

Datum uitspraak: 12 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft de Raad een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige

G.C.M. van Heeswijk van 16 juli 2007 doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2007.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Y. Reichardt, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Betrokkene heeft zich op 20 december 1999 ziek gemeld met nek- en rugklachten. Hij ontving vanaf 18 december 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de eerstejaarsherbeoordeling is betrokkene op het spreekuur gezien door de verzekeringsarts A.F.C. Hofland. Deze concludeerde in zijn rapport van 7 juli 2003 dat betrokkene afgenomen mogelijkheden heeft door de beperkte functie en stand van de gehele wervelkolom en dus aangewezen is op fysiek licht werk waarin hij van houding kan wisselen. Hij heeft de beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Deze vermeldt in de rubrieken Dynamische handelingen en Statische houdingen onder meer het volgende:

- 4.18, Lopen: licht beperkt, kan ongeveer een half uur achtereen lopen (ommetje);

- 4.19, Lopen tijdens het werk: licht beperkt, kan zo nodig gedurende de helft van de werkdag (ongeveer 4 uren) lopen;

- 5.1, Zitten: licht beperkt, kan ongeveer een uur achtereen zitten (film);

- 5.2, Zitten tijdens het werk: normaal, kan zo nodig gedurende vrijwel de gehele werkdag zitten (assemblagewerk, kassawerk, uitvoerend administratief werk);

- 5.3, Staan: licht beperkt, kan ongeveer een half uur achtereen staan (wachttijd voor attractie in pretpark);

- 5.4, Staan tijdens het werk: licht beperkt, kan zo nodig gedurende de helft van de werkdag staan (ongeveer 4 uren);

- 5.9, Afwisseling van houding: normaal, geen specifieke opeenvolging van verschillende houdingen vereist.

De arbeidsdeskundige J.S. Wijbenga heeft vervolgens in zijn rapport van 15 januari 2004 drie functies geselecteerd die betrokkene zou kunnen verrichten: samensteller metaalwaren (sbc-code 264140), surveillant bewakingsdienst (sbc-code 342023) en bezorger kranten, tijdschriften, wasgoed (sbc-code 111230). Op grond hiervan berekende de arbeidsdeskundige een verlies aan verdiencapaciteit van 53,09 %. In overeenstemming hiermee heeft appellant bij besluit van 27 januari 2004 de uitkering van betrokkene met ingang van 16 maart 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts J.A.F. Leunisse-Walboomers in haar rapport van 2 augustus 2004 de conclusies van de verzekeringsarts onderschreven en heeft de bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet in zijn rapport van 15 september 2004 de geduide functies onveranderd in stand gelaten. Bij besluit van 27 september 2004 (hierna: betreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2004 ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn om betrokkene meer dan wel zwaarder beperkt te achten ten aanzien van de afzonderlijke aspecten op de FML. In het bijzonder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om betrokkene vanwege zijn pijnklachten en de mate waarin hij deze afwisselend ervaart meer beperkt te achten. De rechtbank overwoog echter dat het gegeven dat betrokkene blijkens de overwegingen van de verzekeringsarts is aangewezen op arbeid waarbij hij van houding kan wisselen, ten onrechte niet is vertaald in de FML. Op grond hiervan kan de medische grondslag van het bestreden besluit de rechterlijke toets naar het oordeel van de rechtbank niet doorstaan en kan het bestreden besluit wegens de onjuiste medische grondslag ook in arbeidskundig opzicht geen stand houden. Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Het hoger beroep richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat het gegeven dat betrokkene is aangewezen op werk waarin hij van houding kan wisselen ten onrechte niet is vertaald in de FML. Volgens appellant zijn hiervoor beperkingen in de FML aangenomen met betrekking tot de aspecten lopen, zitten en staan, waardoor alleen functies kunnen worden geduid waarbij van houding kan worden gewisseld. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de medische grondslag van een besluit niet alleen berust op de FML, maar ook op de onderliggende rapportage van de verzekeringsarts. Bij het zoeken naar geschikte functies dient de arbeidsdeskundige niet enkel af te gaan op de FML, maar ook op de rapportage van de verzekeringsarts. Met andere woorden, de functies dienen in overeenstemming te zijn met alle door een verzekeringsarts neergelegde beperkingen, ongeacht waar deze staan opgenomen. In de onderhavige functies bestaat volgens appellant voldoende mogelijkheid voor het wisselen van houding, wat blijkt uit de belastingen in de functies in onderlinge samenhang bezien.

Betrokkene heeft aangegeven zich geheel te kunnen vinden in de betwiste overweging van de rechtbank en heeft betoogd dat in de geduide functies onvoldoende afwisseling van houding mogelijk is.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad onderschrijft in zijn algemeenheid niet de stelling van appellant dat, indien in de FML beperkingen zijn aangenomen met betrekking tot de aspecten lopen, zitten en staan, dit al waarborgt dat alleen functies worden geduid waarbij in de vereiste mate van houding kan worden gewisseld. Het is immers goed mogelijk dat in zo’n geval een functie wordt geselecteerd die geen signaleringen toont ten aanzien van de beperkte aspecten, maar toch niet voldoende afwisseling biedt van zitten, staan en lopen omdat in de functie alleen wordt gestaan en gelopen, zoals ook de bezwaararbeidsdeskundige G.C.M. van Heeswijk in zijn rapport van 16 juli 2007 opmerkt. Nu niet op voorhand is gewaarborgd dat de door het CBBS geselecteerde functies voldoen aan de voor een betrokkene vereiste afwisseling van zitten, staan en lopen, indien in de FML uitsluitend bij de afzonderlijke items zitten, staan en lopen (tijdens het werk) waarden (normaalwaarden of beperkingen) zijn aangegeven, is de Raad van oordeel dat het de inzichtelijkheid van de grondslag van de schatting ten goede komt indien een dergelijk vereiste wel in de FML wordt opgenomen. Ook de gemachtigde van appellant heeft zich ter zitting in die zin uitgelaten. De Raad kan zich echter niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het niet opnemen van een dergelijk vereiste in de FML moet leiden tot het oordeel dat de medische grondslag van de schatting de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Het ligt immers op de weg van de arbeidsdeskundige om de belasting in de geselecteerde functies zorgvuldig te toetsen ook aan een door de verzekeringsarts aangegeven maar niet in de FML opgenomen vereiste zoals dat van afwisseling van zitten, staan en lopen. Indien de arbeidsdeskundige op deugdelijke wijze motiveert waarom de functies (ook) aan dat vereiste voldoen, is er geen grond de schatting niet in stand te laten.

In het geval van betrokkene gaat de Raad ervan uit dat onder “van houding kunnen wisselen” dient te worden verstaan een afwisseling van zitten, staan en lopen. De gemachtigde van appellant heeft dit ter zitting bevestigd. De Raad is er ook door de nadere motivering van de bezwaararbeidsdeskundige Van Heeswijk in diens rapport van 16 juli 2007 niet van overtuigd dat voldoende afwisseling van zitten, staan en lopen in de geselecteerde functies gedurende de gehele werkdag is gewaarborgd. Het bestreden besluit is om die reden in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen

De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook bevestigen, zij het met verbetering van de gronden waarop deze berust.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 21,60 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 665,60,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 414,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar als voorzitter en J.F. Bandringa en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M. Gunter.

JL