Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
10-01-2008
Zaaknummer
06/5004 WWB, 06/5005 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Toestemming verleend voor universitaire studie ter aanvulling van buitenlands diploma. Het behalen van onvoldoende studiepunten niet gemeld. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5004 WWB

06/5005 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], appellant, en [Appellante], appellante, bereikbaar respectievelijk wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 juli 2006, 05-6258 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. ’t Hart, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2007. Appellanten zijn in persoon verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H. Arnold, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen vanaf 14 januari 1997 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Appellanten zijn afkomstig uit Irak. Appellant heeft daar de universitaire studie “mecanical engineer” afgerond. Omdat het behaalde diploma in Nederland niet wordt gelijkgesteld met dat van een werktuigbouwkundig ingenieur heeft het College, na een positief advies ter zake van Werktraject B.V. te Zaandam (hierna: Werktraject), appellant toestemming verleend om met ingang van het studiejaar 2003/2004 met behoud van uitkering aan de Technische Universiteit Eindhoven werktuigbouwkunde te gaan studeren. De vooronderstelling van Werktraject en het College was dat appellant de (aanvullende) studie binnen twee of tweeëneenhalf jaar zou afronden.

Nadat het vermoeden was gerezen dat de door appellant behaalde studieresultaten achterbleven bij de planning en van de zijde van Werktraject bij brieven van 24 maart 2005 en 28 april 2005 vergeefs aan appellant was verzocht om op 1 april 2005 respectievelijk 3 mei 2005 een officieel overzicht van de behaalde studieresultaten over te leggen, heeft het College bij besluit van 12 mei 2005 het recht op bijstand van appellanten met ingang van 1 mei 2005 opgeschort. Appellant is de verplichting opgelegd om uiterlijk op 18 mei 2005 op het Stadskantoor van Zaanstad te komen en daarbij een nieuwe studieplanning alsmede een ondertekend overzicht van de behaalde studieresultaten, afgezet tegen het aantal studiepunten dat behaald had moeten zijn, over te leggen. In het besluit is er op gewezen dat de toegekende uitkering wordt beëindigd indien binnen de gestelde termijn niet aan de opgelegde verplichting wordt voldaan.

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft het College de bijstand met ingang van 1 mei 2005 ingetrokken op de grond dat appellanten hebben verzuimd inlichtingen te vestrekken.

Bij besluit van 7 oktober 2005 heeft het College het tegen het besluit van 30 mei 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 7 oktober 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Artikel 54, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort, intrekken.

Appellanten hebben tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 1 mei 2005 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan een belanghebbende verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

De gemachtigde van het College heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat als uitgangspunt geldt dat het volgen van een universitaire studie met behoud van bijstand niet wordt toegestaan. In het geval van appellant is daarvan afgeweken omdat hij in Irak het universitaire diploma “mecanical engineer” al had behaald en werd uitgegaan van de vooronderstelling dat hij binnen een periode van maximaal tweeëneenhalf jaar de (aanvullende) studie voor bouwkundig ingenieur zou afronden. Op basis van de door appellanten te verstrekken nieuwe studieplanning en de officiële opgave van de inmiddels behaalde studieresultaten wilde het College zich beraden omtrent de vraag of verdere verlening van bijstand tijdens het volgen van een universitaire studie door appellant aangewezen was.

De Raad is van oordeel dat aldus genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat de gevraagde gegevens van belang waren voor de beoordeling van het recht op bijstand en de eventuele voortzetting van de bijstand.

Vaststaat dat appellanten de gevraagde gegevens niet binnen de in het opschortingsbesluit gestelde termijn hebben verstrekt, terwijl niet aannemelijk is dat zij om uitstel hebben gevraagd. In dit verband stelt de Raad vast dat ter zitting van de Raad voor de eerste maal is gesteld dat appellante op 18 mei 2005 om uitstel voor het inleveren van de gevraagde gegevens heeft gevraagd. Mede omdat het bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit door de Stichting Maatschappelijke Dienstverlening is ingediend en daarin met geen woord wordt gerept over een verzoek om uitstel voor het aanleveren van de gevraagde gegevens acht de Raad het onaannemelijk dat een dergelijk verzoek is gedaan.

Aangezien er geen grond is om te oordelen dat appellanten er geen verwijt van kan worden gemaakt dat zij de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn hebben verstrekt - hen was immers ook al op 24 maart 2005 en 28 april 2005 door Werktraject om bedoelde gegevens gevraagd - was het College bevoegd de bijstand van appellanten met ingang van 1 mei 2005 in te trekken.

In hetgeen door appellanten is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en R.H.M. Roelofs en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) A. Badermann.

IJ