Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1494

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
10-01-2008
Zaaknummer
06-7111 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Alleenwonend of samenwonend? Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7111 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 november 2006, 06/483 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Burema, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. D.H. Sloof, advocaat te Almere. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.W. Meyer, werkzaam bij de gemeente Almere.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft zich op 15 juli 2005 gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij heeft hij aangegeven alleenwonend te zijn op het adres [adres]

Naar aanleiding van informatie uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) dat naast appellant [J.] ([J.]) op dit adres staat ingeschreven, is een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben twee huisbezoeken plaatsgevonden op respectievelijk 4 augustus 2005 en 12 oktober 2005. Voorts heeft er op 24 augustus 2005 op het kantoor van de sociale dienst een gesprek met appellant plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportages van 4 augustus 2005 en 17 oktober 2005. De onderzoeksresultaten waren voor het College aanleiding om bij besluit van 18 oktober 2005 de aanvraag van appellant af te wijzen.

Bij besluit van 16 januari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2005 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 januari 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat tijdens beide huisbezoeken is geconstateerd dat de woning was ingericht voor bewoning door twee of meer personen. Bij het eerste huisbezoek waren er diverse aanwijzingen dat de woning op dat moment daadwerkelijk werd bewoond door meer dan één persoon en bij het tweede huisbezoek is een persoon in de woning van appellant aangetroffen, die daar de nacht had doorgebracht. Appellant houdt echter vol alleen te wonen.

De bevindingen tijdens deze huisbezoeken gevoegd bij de GBA-inschrijving leiden de Raad tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn woon- en leefsituatie. Dat appellant de Nederlandse taal niet beheerst maakt dat niet anders. In aanmerking genomen dat bij het gesprek op

24 augustus 2005 taalhulp aanwezig was, kan niet worden staande gehouden dat appellant onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om duidelijkheid te scheppen over zijn woon- en leefsituatie. Gelet hierop stelt de Raad vast dat appellant tekort is geschoten in nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB geldende inlichtingenverplichting. De Raad is voorts van oordeel dat als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellant ten tijde hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Het College heeft derhalve de aanvraag om bijstand van appellant terecht afgewezen.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

IJ