Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
06-2390 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Vastgestelde belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2390 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 maart 2006, 05/1300 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bovenkamp. Het Uwv heeft zich (met bericht) niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, laatstelijk werkzaam als horecamedewerker, heeft in 1991 bij een verkeersongeval zijn rechteronderbeen op drie plaatsen gebroken. In 2001 is hij uitgevallen met klachten van overspannenheid en pijnklachten van zijn rechterbeen. In verband hiermee is hem, na het vervullen van de wettelijk voorgeschreven wachttijd, met ingang van 9 januari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een herbeoordeling is appellant op 30 november 2004 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze constateerde een status na multiple fracturen van het rechteronderbeen. De lichte agitatie dan wel agressieve uitingen van appellant, die hij waarnam, duidde hij als een “zo zijn” of een zeer lichte persoonlijkheidsstoornis. Op basis hiervan stelde hij een aantal beperkingen vast, die hij neerlegde in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Hiervan uitgaande heeft een arbeidsdeskundige zeven functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee is de WAO-uitkering van appellant bij besluit van

21 januari 2005 met ingang van 14 maart 2005 ingetrokken.

In het kader van de bezwaarprocedure is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts

J. Jonker. Deze constateerde - op basis van informatie van de behandelend sector,

bijwonen van de hoorzitting en dossieronderzoek - aspecifieke knieklachten, een resttoestand na fractuur rechteronderbeen en aspecifieke lage rugklachten. Daarnaast was volgens haar geen sprake van een psychische stoornis in engere zin. Naar aanleiding hiervan heeft zij geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Dienovereenkomstig is het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit van 24 mei 2005 ongegrond verklaard.

In het kader van de beroepsprocedure heeft bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald in zijn rapport (met bijlagen) van 23 november 2005 de arbeidskundige kant van de schatting nader toegelicht. Appellant heeft informatie ingebracht van radioloog G. Snoep van 13 oktober 2005. In reactie hierop heeft bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns in zijn rapport van 2 december 2005 aangegeven het eerder ingenomen standpunt te handhaven. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven, maar heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en heeft het bestreden besluit vernietigd, nu het Uwv eerst in het kader van de beroepsprocedure de - door de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN: AR4716 e.v.) - gewenst geachte motivering heeft gegeven ten aanzien van de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies. Hierbij heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn psychische en lichamelijke beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Voorts heeft hij aangevoerd dat de functies medisch gezien niet geschikt voor hem zijn. In dit kader heeft appellant gesteld dat in alle functies zijn belastbaarheid ten aanzien van het aspect 5.2 (zitten) wordt overschreden en dat de functies machinebediende (sbc-code 264122), telefonist, receptionist (sbc-code 315120) en produktiemedewerker metaal en elektro-industrie (sbc-code 111171) niet geschikt voor hem zijn vanwege een overschrijding van zijn belastbaarheid ten aanzien van het aspect 4.22 (knielen/hurken). Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant informatie ingebracht van de GGD Zuid Limburg van 7 september 2006. In reactie hierop heeft bezwaarverzekeringsarts Jonker in haar rapport van 2 oktober 2007 aangegeven het eerder ingenomen standpunt te handhaven.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant de psychische en lichamelijke klachten van appellant nader toegelicht en aangevoerd dat bezwaarverzekeringsarts Jonker in haar rapport van 2 oktober 2007 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de informatie van de GGD Zuid Limburg haar geen aanleiding geeft tot wijziging van het eerder ingenomen standpunt. Voorts heeft hij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

12 oktober 2006 (LJN: AY9971), aangevoerd dat op de (bezwaar)arbeidsdeskundige de verplichting rust om in alle gevallen waarin in de Resultaten functiebeoordeling een “G” is vermeld, overleg te voeren met een verzekeringsarts. Verder heeft hij aangevoerd dat, nu zich bij de stukken weliswaar een kritische FML bevindt, maar de FML hierbij ontbreekt, het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet in de beschikbare medische informatie onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de beperkingen van appellant onjuist hebben vastgesteld dan wel hebben onderschat. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de in bezwaar beschikbare informatie door bezwaarverzekeringsarts Jonker is meegewogen en dat deze informatie niet wijst op meer of andere beperkingen dan door de verzekeringsarts waren vastgesteld. Met betrekking tot de informatie van radioloog Snoep is de Raad van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Brouns in zijn rapport van 2 december 2005 voldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom deze informatie hem geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te herzien. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de Raad ten aanzien van de reactie van bezwaarverzekeringsarts Jonker op de informatie van de GGD Zuid Limburg in haar rapport van 2 oktober 2007.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad dat hem niet is gebleken dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant niet geschikt zouden zijn. De in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Van der Naald van

23 november 2005 gegeven toelichting met betrekking tot de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies acht de Raad toereikend. De Raad merkt hierbij op dat de grief van appellant met betrekking tot het aspect 4.22 (knielen/hurken) niet slaagt, nu het, gezien de betreffende Resultaten functiebeoordeling, in de genoemde functies bij het aspect 4.22 (knielen/hurken) gaat om een incidentele belasting, waartoe appellant in staat is te achten. De grief van appellant met betrekking tot het aspect 5.2 (zitten) slaagt evenmin, nu appellant ten aanzien van dit aspect niet beperkt is geacht. De Raad merkt voorts op dat de stelling van appellant met betrekking tot de verplichting voor de (bezwaar)arbeidsdeskundige om in alle gevallen, waarin in de Resultaten functiebeoordeling een “G” is vermeld, overleg te voeren met een verzekeringsarts, op een onjuiste lezing van genoemde uitspraak van de Raad van

12 oktober 2006 berust. Het ontbreken van de FML bij de stukken leidt de Raad tot slot niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd, nu de beperkingen van appellant alle tevens zijn neergelegd in de kritische FML en de (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft gemotiveerd dat appellant met die beperkingen in staat is de geduide functies te verrichten.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevochten.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en E. Dijt en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 december 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.

JL