Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1250

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
05-6841 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Zorgvuldigheid medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6841 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 oktober 2005, 05-1991

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Akkas, advocaat te Beverwijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akkas en zijn echtgenote [echtgenote]. Als tolk was aanwezig S. Akkas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak – waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder – ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker CD finishing bij Sony. Op

14 november 1996 is hij uitgevallen voor zijn werk wegens psychische klachten. Eiser is per einde wachttijd arbeidsongeschikt geacht in een mate van 80 tot 100%. Bij besluit van 1 februari 2002 heeft verweerder eiser weer deels geschikt geacht om passende arbeid te verrichten en per 24 maart 2002 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Op 5 november 2003 heeft eiser zich vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld met hoofdpijn, klachten van duizeligheid, buikpijn en pijn aan knieën en rug. Op

26 januari 2004 is eiser onderzocht door de verzekeringsarts en deze heeft eiser in het kader van de Ziektewet hersteld verklaard voor zijn resterende verdiencapaciteit. Bij besluit van 6 februari 2004 heeft verweerder herziening van de WAO-uitkering van eiser afgewezen omdat eiser per 5 november 2003 niet toegenomen arbeidsongeschikt zou zijn. Op grond van de wet Amber is het bezwaar van eiser tegen dit besluit gegrond verklaard en is eiser vanaf 3 december 2003 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht. Op

25 mei 2004 heeft de verzekeringsarts een nieuwe functionele mogelijkhedenlijst opgesteld. Rekening houdend met de door de verzekeringsarts vastgestelde arbeidsbeperkingen heeft de arbeidsdeskundige geoordeeld dat eiser geschikt is voor een aantal functies, die een dusdanige loonwaarde vertegenwoordigen dat het verlies aan verdiencapaciteit als gevolg van arbeidsbeperkingen 26,55% bedraagt. Verweerder heeft bij besluit van 2 september 2004 eiser per 31 augustus 2004 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de bezwaarfase aanleiding gezien een onafhankelijke psychiater, dr. Koevoets, in te schakelen. De bezwaarverzekeringsarts heeft na het onafhankelijke onderzoek echter geen aanleiding gezien af te wijken van het primaire oordeel. De bezwaararbeidsdeskundige heeft, evenals de primair oordelend arbeidsdeskundige, geoordeeld dat de geduide functies de aangegeven belastbaarheid van eiser niet overschrijden.”

Bij besluit van 9 mei 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 september 2004 ongegrond verklaard en de per

1 november 2004 vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 25 tot 35% gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, nu het bestreden besluit op een zowel medisch als arbeidskundig adequate en toereikende grondslag berust.

De rechtbank heeft met betrekking tot de medische grondslag overwogen dat er een volledig en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de primaire verzekeringsarts appellant heeft opgeroepen voor het spreekuur en een lichamelijk onderzoek heeft verricht en dat de bezwaarverzekeringsarts op grond van dossierstudie, de rapportage van psychiater C.G.J.M. Koevoets van 7 maart 2005 en de informatie van de huisarts en de behandelend psychiater tot een gelijkluidend oordeel is gekomen als de primaire verzekeringsarts. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat bij appellant op medisch objectiveerbare gronden meer of zwaardere arbeidsbeperkingen dienen te worden vastgesteld dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn neergelegd. In de FML zijn zowel lichamelijke als psychische beperkingen aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd gerapporteerd dat niet gesteld kan worden dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Met de uit het rapport van psychiater Koevoets gebleken beperkingen is voldoende rekening gehouden in de FML. Voorts heeft appellant geen verdere gegevens naar voren gebracht, die aanleiding geven te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat de belasting in de geduide functies binnen de beperkingen, zoals neergelegd in de FML, blijft en dat ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit wat betreft het arbeidskundig aspect niet op goede gronden zou berusten.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat hij meer beperkt is dan in de FML is vastgelegd. Verder is volgens appellant het besluit van 2 september 2004 onzorgvuldig tot stand gekomen nu daaraan geen medisch onderzoek vooraf is gegaan. Ten slotte meent appellant dat hij na het besluit van 13 mei 2004, waarbij is overwogen dat voldoende duidelijk naar voren komt dat de verzekeringsarts hem vanaf 5 november 2003 volledig arbeidsongeschikt acht, er op mocht vertrouwen dat hij niet meer arbeidsgeschikt zou worden verklaard nu de omstandigheden niet zijn gewijzigd.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.

De Raad heeft wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit evenals de rechtbank geen redenen te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad kan appellant niet volgen in diens stelling dat voorafgaand aan het besluit van 2 september 2004 geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt immers van een medisch onderzoek op 26 januari 2004 door de primaire verzekeringsarts als onderdeel van een herbeoordeling terzake van een door appellant gestelde toename van zijn arbeidsongeschiktheid. Blijkens de van dat onderzoek opgemaakte rapportage is tijdens dit onderzoek onder meer aan de orde gekomen de vaststelling van de beperkingen van appellant en de vraag of appellant beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden. Weliswaar is in dit rapport voorts aangegeven dat van lichamelijk onderzoek is afgezien, maar de daarvoor gegeven verklaring – voorhanden zijn van uitgebreide specialistische informatie en vermelding van de bevindingen van lichamelijk onderzoek in het kader van een beoordeling op grond van de Ziektewet in een rapport van november/december 2003 – komt de Raad niet onaanvaardbaar voor. Op grond van deze onderzoeksbevindingen heeft de verzekeringsarts de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende FML opgesteld. De Raad kan zich voorts vinden in de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de voor appellant aangenomen objectiveerbare medische beperkingen ten tijde hier in geding. Het door appellant in hoger beroep overgelegd rapport van het Staatsziekenhuis te Aksaray van 6 juli 2006, met vertaling, biedt, reeds gelet op de datum waarop dat rapport betrekking heeft, geen enkele aanknopingspunt om tot een ander oordeel te komen.

De Raad onderschrijft, wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, evenals de rechtbank het standpunt van het Uwv omtrent de medische geschiktheid van appellant voor de aan de schatting ten grondslag liggende functies.

Het door appellant gedane beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt reeds niet, omdat bij het besluit van 13 mei 2004 aan appellant is meegedeeld dat mede gelet op de hersteldverklaring per 9 februari 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO opnieuw wordt beoordeeld.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

MK