Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1216

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
04/4474 ZW, 04/4478 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAZ-uitkering. Ziekteoorzaak. Wachttijd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4474 ZW, 04/4478 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2004, 03/227 en 03/1719, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2007.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.M. Terrahe, advocaat te Apeldoorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die werkzaam is geweest als zelfstandig adviseur en vrijwillig verzekerd was ingevolge de Ziektewet, heeft tot 1 september 1999 in verband met overspannenheid een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ontvangen, welke uitkering was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar wegens inkomsten uit het bedrijf slechts ten dele tot uitbetaling kwam. De arbeidsongeschiktheidsuitkering is destijds in overleg met appellant ingetrokken, omdat hij zich weer in staat achtte om het werk in zijn bedrijf in een normale omvang te verrichten.

Appellant is met ingang van 21 mei 2001 opnieuw uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig adviseur. Een verzekeringsarts heeft bij onderzoek op 1 mei 2002 vastgesteld dat appellant wegens dezelfde klachten als in het verleden arbeidsongeschikt was geworden. Na arbeidskundig onderzoek, waarbij bleek dat voor appellant geen functies konden worden geselecteerd, heeft het Uwv bij besluit van 19 juli 2002 aan appellant in aansluiting op een wachttijd van vier weken met ingang van 18 juni 2001 een uitkering ingevolge de WAZ toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 11 december 2002 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit van 19 juli 2002 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 24 maart 2003 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de vrijwillige verzekering ingevolge de Ziektewet met ingang van 18 juni 2001 werd beëindigd, omdat deze gelet op de volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAZ niet meer zinvol werd geacht. Bij besluit van 13 mei 2003 (hierna: bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

De grieven van appellant zijn, evenals in eerste aanleg, gericht tegen de datum met ingang waarvan aan hem een volledige uitkering ingevolge de WAZ is toegekend. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij vanaf 21 mei 2001 leed aan ernstige nekklachten die niet in verband stonden met de eerdere klachten van overspannenheid, zodat hier niet gesproken kan worden van dezelfde oorzaak in de zin van artikel 20 van de WAZ. Mitsdien dient volgens appellant een wachttijd van 52 weken in acht te worden genomen en voormelde ingangsdatum te worden gesteld op 20 mei 2002.

De Raad heeft het volgende overwogen.

In artikel 20, eerste lid aanhef en onder a, van de WAZ, is – voorzover hier van belang – bepaald dat indien de verzekerde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid terzake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt, zodra de arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft de Raad in zijn rechtspraak met betrekking tot het met artikel 20 van de WAZ overeenstemmende artikel 43a van de WAO vastgesteld dat buiten twijfel dient te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere oorzaak, wil voormelde wettelijke bepaling niet van toepassing zijn.

Toetsend aan dit criterium ziet de Raad in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan de rechtbank.

De verzekeringsarts, die appellant op 1 mei 2002 op het spreekuur heeft gezien, heeft blijkens zijn rapport van 6 mei 2002 anamnestisch vastgesteld dat appellant klachten had van concentratieverlies, onverschilligheid, initiatiefloosheid, een moe-gevoel, hoofdpijn en hartkloppingen. De verzekeringsarts heeft verder kennis genomen van een brief van

31 januari 2002 van klinisch psycholoog/psychotherapeut dr. P.H.G.M. Soons, bij wie appellant sinds 1994 bekend was met spanningsklachten en die van mening was dat bij appellant sedert mei 2001 weer sprake was van soortgelijke klachten als voorheen.

Bezwaarverzekeringsarts N.G.M. van Alst heeft blijkens een rapport van

8 november 2002 kennis genomen van aantekeningen van de ZW-verzekeringsarts en vastgesteld dat de behandelend neuroloog op neurologisch gebied geen duidelijke afwijkingen ter verklaring van appellants nekklachten had gevonden en destijds dacht aan spanningen als oorzaak van de klachten. In aanmerking genomen dat ook de in de bezwaarfase aangevoerde hartritmestoornissen en concentratiestoornissen reeds bekend waren, heeft de bezwaarverzekeringsarts, alles overziende, geconcludeerd dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid de spanningsklachten waren, die zich manifesteerden als lijkend op een nekhernia.

Bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie zag blijkens een rapport van 27 februari 2003 in de in beroep nog overgelegde brieven van 6 september 2001 en 28 oktober 2001 van de behandelend neuroloog dr. J. Boiten geen reden voor een ander inzicht. Daarbij is opgemerkt dat deze neuroloog op grond van de klinische bevindingen in eerste instantie wel dacht aan een cervicaal radiculair syndroom, maar dat geen MRI is gemaakt ter bevestiging hiervan. In de brief van 28 oktober 2001 is vervolgens geen melding meer gemaakt van dit syndroom en gesteld dat appellant veel last had van spanningen/stress, hetgeen een toename van de nekklachten te zien gaf.

De Raad ziet, gezien het vorenstaande en mede gelet op de door appellant ingediende aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 8 april 2002, waarin hij onder meer melding heeft gemaakt van nek-, hoofdpijn, chronische vermoeidheid en gebrek aan concentratie, en de in de in hoger beroep nog overgelegde medische gegevens, geen reden om aan de conclusie van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen te twijfelen.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv dan ook terecht met toepassing van het bepaalde in artikel 20, eerste lid aanhef en onder a van de WAZ vanaf 21 mei 2001 een wachttijd van vier weken in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2, onder overweging dat appellant geen procesbelang meer had bij de beoordeling van dit beroep, niet-ontvankelijk verklaard. Van de zijde van appellant zijn tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak geen grieven aangevoerd.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en E. Dijt en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.

MH