Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC1183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2007
Datum publicatie
04-01-2008
Zaaknummer
06-6437 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat geen sprake is van procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6437 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 oktober 2006, 06/1438 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2007. Voor appellante is verschenen mr. J.E. Braak, kantoorgenoot van mr. Van Doleweerd. Namens het College is verschenen E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt, samen met haar echtgenoot, bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Zij was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Na medisch onderzoek heeft het College bij besluit van

17 oktober 2005 alsnog de arbeidsverplichtingen aan appellante opgelegd. Bij besluit op bezwaar van 14 februari 2006 is het besluit van 17 oktober 2005 in die zin herroepen dat aan appellante vrijstelling is verleend van de arbeidsverplichtingen totdat door de afdeling Sociale Zaken & Werkgelegenheid (SoZaWe) de niet-medische factoren, die een belemmering vormen voor het verrichten van arbeid, aan de orde zijn gesteld en naar aanleiding daarvan een besluit is genomen over de wijze waarop het re-integratietraject van appellante zal worden ingevuld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

14 februari 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

Appellante beoogt met het hoger beroep dat zij op medische gronden wordt ontheven van haar arbeidsverplichtingen. Als gevolg van het besluit van 14 februari 2006 is appellante hiervan echter al ontheven en ter zitting is gebleken dat deze ontheffing nog steeds van kracht is. Het aanvechten van het medisch oordeel dat aan het besluit van 17 oktober 2005 ten grondslag is gelegd, heeft voor appellante op zichzelf dan ook geen feitelijke betekenis. Mocht het College in de toekomst besluiten aan appellante alsnog arbeidsverplichtingen op te leggen, dan zal het College zich - mede gelet op het tijdsverloop - daarbij niet kunnen baseren op het medisch onderzoek dat voorafgaand aan het besluit van 17 oktober 2005 heeft plaatsgevonden. Appellante heeft alsdan de mogelijkheid de resultaten van een eventueel nieuw medisch onderzoek en de besluitvorming die daarop wordt gebaseerd ten volle aan te vechten. Op grond hiervan is de Raad van oordeel dat er voor appellante geen sprake is van procesbelang en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ181207