Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2007
Datum publicatie
27-12-2007
Zaaknummer
06-4013 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering en bevordering. Financiële schade ten gevolge van langdurig besluitvormingsproces? Rentevergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4013 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 mei 2006, 05/1524 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: college)

Datum uitspraak: 13 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. J.W.M. Koppers, werkzaam bij de gemeente Roermond.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1 Appellant was van 1 november 1999 tot 1 augustus 2000 bij de gemeente Roermond werkzaam in de functie van [functie ] bij de afdeling [afdeling] en ingedeeld in schaalniveau 7. Vanaf 1 augustus 2000 was appellant werkzaam in de functie van [functie 2]. Begin 2002 is een functiebeschrijvings- en waarderingstraject gestart. Dit traject heeft geresulteerd in een op 4 april 2003 door het college vastgestelde functiebeschrijving, welke na door appellant daartegen gemaakt bezwaar is gehandhaafd bij besluit van

14 augustus 2003.

1.2. Bij besluit van 26 februari 2004 (hierna: functiewaarderingsbesluit) is de waardering van de functie van [functie 2] vastgesteld op schaalniveau 8. Bij besluit van 4 maart 2004 (hierna: bevorderingsbesluit) is aan appellant meegedeeld dat hij met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2000 wordt bevorderd tot de functieklasse, zijnde schaal 8, de negende periodieke verhoging, hetgeen leidt tot een nabetaling volgens de bij dat besluit gevoegde specificatie.

1.3. Bij brief van 21 maart 2004 heeft appellant verzocht om vergoeding van de wettelijke rente in verband met deze nabetaling. Op dit verzoek heeft het college bij besluit van

26 augustus 2004 afwijzend beslist. De door appellant hiertegen gemaakte bezwaren zijn door het college bij besluit op bezwaar van 29 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien. De rechtbank was van oordeel dat de financiële schade als gevolg van het langdurig besluitvormingsproces in redelijkheid niet geheel ten laste van appellant kon blijven. De rechtbank achtte de algehele weigering van vergoeding van gederfde rente dan ook in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft, naast vernietiging van het bestreden besluit op bezwaar, bepaald dat op grond van de redelijkheid en billijkheid aan appellant op de voet van artikel 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek de wettelijke rente dient te worden vergoed vanaf 1 januari 2003, waarbij de rente dient te worden berekend over de brutobedragen van het salaris waarop appellant vanaf 1 januari 2003 recht heeft verkregen.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de schade veel groter is dan door de rechtbank aangenomen, aangezien het gehele functiewaarderingsproces veel langer heeft geduurd dan het officiële schriftelijke proces: voordat het functiewaarderingsproces van start ging had appellant de onjuistheid van de functiebeschrijving al diverse keren besproken met zijn toenmalige leidinggevenden. Appellant is op grond daarvan van oordeel dat wettelijke rente dient te worden vergoed vanaf 1 augustus 2000.

Het college heeft betoogd dat de (te) lange duur van het functiewaarderingsproces reeds door de rechtbank ten grondslag is gelegd aan het oordeel dat wettelijke rente verschuldigd is.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, stelt de Raad vast dat partijen in hoger beroep nog slechts verdeeld zijn over de vraag of ook in de periode 1 augustus 2000 tot 1 januari 2003 sprake was van een aan het college toe te rekenen onrechtmatige vertraging in de besluitvorming, die met zich meebrengt dat het college gehouden is de daaruit voortgevloeide schade te vergoeden. Zich beperkend tot dit geschilpunt overweegt de Raad het volgende.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant na zijn aanstelling per 1 augustus 2000 in de functie van [functie 2], bij zijn leidinggevenden herhaaldelijk heeft aangedrongen op (her)waardering van zijn functie. Aan appellants stelling, dat hij ook vóór 1 augustus 2000 daarop heeft aangedrongen, gaat de Raad voorbij, nu appellant tot 1 augustus 2000 een andere functie bekleedde en ook de peildatum van 1 augustus 2000, tot welke de nieuwe waardering maximaal terugwerkt, niet in geschil is.

4.2. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het feit, dat het college eerst begin 2002 is gestart met het functiewaarderingsproces, niet het gevolg is van aan het college toe te rekenen onrechtmatig handelen. De Raad neemt daartoe in aanmerking dat, nog daargelaten dat van bestuursorganen in het algemeen niet kan worden gevergd dat terstond en zonder vooronderzoek wordt overgegaan tot het (opnieuw) beschrijven en waarderen van een functie zodra van een functiehouder een daartoe strekkend verzoek wordt ontvangen, blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting appellant de waardering van zijn functie uitsluitend op informele wijze bij zijn leidinggevenden onder de aandacht heeft gebracht. Niet is gebleken dat appellant (ook) een aanvraag als bedoeld in artikel 4:13, eerste lid, van de Awb bij het daartoe bevoegde gezag heeft ingediend, noch is gebleken dat appellant anderszins adequate maatregelen heeft genomen om het college ertoe te bewegen de functiewaarderingsprocedure eerder in gang te zetten. Gelet hierop concludeert de Raad dat tot het moment van aanvang van het functiewaarderings-proces, begin 2002, niet kan worden gesproken van een onrechtmatige vertraging in het besluitvormingsproces waaraan appellant aanspraak op vergoeding van gederfde rente kan ontlenen.

4.3. Voor zover het de periode na begin 2002 betreft, neemt de Raad in aanmerking dat het nemen van het functiewaarderingsbesluit, zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld, is vertraagd door een tegen de functiebeschrijving gevoerde bezwarenprocedure, die is geëindigd in een ongegrondverklaring van het bezwaar, en als gevolg van drie maanden verlof van appellant. De Raad ziet aldus in de omstandigheden van dit geval onvoldoende aanleiding een zodanige aan het college toe te rekenen vertraging in de besluitvorming aanwezig te achten dat tot een verdergaande vergoedingsplicht dan door de rechtbank vastgesteld zou moeten worden geconcludeerd.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.