Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0906

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
27-12-2007
Zaaknummer
06-6352 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WW-uitkering bij wijze van maatregel, aangezien betrokkene kon weten dat verzuim-gedrag tot ontslag zou leiden. Verwijtbaarheid? Medische aspecten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6352 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 oktober 2006, 05/1335 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 december 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2007. Appellante en

mr. Schaap zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Appellante heeft op 17 december 2002 met de Stichting [B] namens de gemeente Hoogezand-Sappemeer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 augustus 2008 gesloten in het kader van de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW). Op basis van de tussen [B] en een aantal inlenende bedrijven en instellingen gesloten detacheringovereenkomsten was appellante vanaf 31 december 2002 werkzaam bij verschillende inleners. Bij brief van 10 februari 2005 heeft [B] namens de gemeente Hoogezand-Sappemeer de arbeidsovereenkomst van appellante met inachtneming van de van toepassing zijnde opzegtermijn opgezegd met ingang van

10 maart 2005.

2.3. Op 23 maart 2005 heeft appellante een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 26 april 2005 heeft het Uwv de uitkering per 11 maart 2005 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellante had kunnen weten dat haar gedrag tot ontslag zou leiden. Het Uwv heeft het tegen dat besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 11 oktober 2005 gegrond verklaard en appellante met ingang van 11 maart 2005 een WW-uitkering toegekend onder oplegging van een maatregel van 35% gedurende 26 weken. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellante op grond van haar gedragingen kon voorzien dat de dienstbetrekking zou worden beëindigd. In dit verband is vermeld dat appellante, nadat zij mondeling en schriftelijk al meerdere keren waarschuwingen had ontvangen over aanwezigheid, werkafspraken, werkhouding, motivatie en onterecht verzuim, op 8 februari 2005 niet op het werk is verschenen bij spo[naam sportcentrum] [naam spo[naam sportcentrum]], waar zij op 7 februari 2005 was begonnen, terwijl zij alleen aan [B], maar niet aan [naam sportcentrum] heeft doorgegeven dat zij een afspraak had in het ziekenhuis. Ook heeft appellante pas 10 februari 2005 gereageerd op het verzoek van de re-integratieadviseur om spoedig terug te bellen. Gezien de omstandigheid dat appellante volgens de re-integratieadviseur wellicht beter op haar plaats zou zijn in een WSW-verband, kunnen voornoemde gedragingen volgens het Uwv haar niet in overwegende mate worden verweten.

2.4. Bij besluit van 11 april 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de ingangsdatum van de WW-uitkering gewijzigd in 1 juni 2005 in verband met het feit dat appellante over de periode van 31 januari 2005 tot en met 31 mei 2005 een uitkering ingevolge de Ziektewet heeft ontvangen.

3. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank deelt de conclusie van het Uwv dat sprake is geweest van zodanig gedrag dat appellante heeft moeten begrijpen dat dit het einde van haar dienstbetrekking tot gevolg kon hebben. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante bij drie werkgevers is geplaatst maar dat alle plaatsingen zijn beëindigd vanwege aanwezigheidsaspecten, de werkhouding van appellante en haar motivatie, dat er gesprekken hierover zijn geweest met de re-integratieadviseurs van [B] die haar ook schriftelijk hebben gewaarschuwd en dat appellante haar gedrag niet heeft aangepast. De door appellante genoemde medische aspecten doen naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de verwijtbaarheid van het ontslag, nu appellante geen medische verklaring in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat haar gedrag verband houdt met de door haar genoemde medische aandoeningen.

4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de grond waarop het Uwv heeft besloten tot het opleggen van een tijdelijke maatregel in plaats van een blijvende gehele weigering van de uitkering ertoe had moeten leiden dat volledig van die maatregel werd afgezien. Het feit dat appellante niet bemiddelbaar is voor regulier werk maakt volgens haar dat de omstandigheden die ten grondslag hebben gelegen aan het ontslag niet aan haar toe te rekenen zijn, hetgeen direct samenhangt met haar persoon en arbeidsmarkt-situatie.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, en dat het Uwv in verband hier mee terecht op de WW-uitkering van appellante bij wijze van maatregel een korting van 35% voor de duur van 26 weken heeft toegepast.

5.2. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Op grond van de gedingstukken is ook voor de Raad voldoende komen vast te staan dat appellante vanaf 2003 meermalen zonder opgaaf van redenen niet op haar werk is verschenen of zich niet heeft ziek gemeld op de in haar arbeidsovereenkomst voorgeschreven wijze, en dat haar werkhouding en gebrek aan motivatie er toe hebben geleid dat meerdere plaatsingen voortijdig zijn beëindigd. Appellante heeft haar gedrag ondanks herhaalde mondelinge en schriftelijke waarschuwingen niet aangepast. Voor het laatst is zij bij brief van 3 december 2004 gewaarschuwd, nadat zij zonder bericht van verhindering geen gehoor had gegeven aan een oproep van [B] voor een gesprek over het feit dat zij op 30 november 2004 boos van het werk was weggelopen. De inlener [W.G.] heeft in een en ander aanleiding gevonden de plaatsing te beëindigen. Nadat appellante na een ziekteperiode op 7 februari 2005 was gaan werken bij [naam spo[naam sportcentrum]] is zij daags daarna, op 8 februari 2005, niet op het werk verschenen zonder [naam sportcentrum] in kennis te stellen van de reden van haar afwezigheid. De Raad is op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden met het Uwv en de rechtbank van oordeel dat appellante zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat zij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat haar gedrag de beëindiging van haar dienstverband tot gevolg zou kunnen hebben. Dat appellante de werkzaamheden in WIW-verband verrichtte laat onverlet dat zij had moeten begrijpen dat de werkgever haar gedrag uiteindelijk niet langer zou accepteren en tot beëindiging van het dienstverband zou overgaan.

5.3. Wat de mate van verwijtbaarheid betreft heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat de schending van de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW appellante niet in overwegende mate kan worden verweten. Wat ook zij van de gronden waarop dit standpunt van het Uwv berust, de Raad ziet in de in hoger beroep naar voren gebrachte omstandigheden van appellante geen grond voor het oordeel dat het haar in het geheel niet kan worden aangerekend dat zij zich niet hield aan de regels betreffende aanwezigheid op het werk en ziekmelding, welke uit haar arbeidsovereen-komst voortvloeiden.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.B. de Gooijer.