Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
27-12-2007
Zaaknummer
07-2919 WWB + 07-2920 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand in kosten van huur bestelbus om goederen te vervoeren van betaalde opslagruimte naar een gratis opslagruimte. Bezwaar niet ontvankelijk. Belang? Schade ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2919 WWB

07/2920 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellanten]

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 april 2007, 06/725 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. Y. van der Linden, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met dat in de zaken met de nummers 05/3294 NABW, 05/3368 NABW, 07/2913 WWB, 07/2916 WWB tot en met 07/2918 WWB, 07/2921 WWB tot en met 07/2926 WWB, 07/2929 WWB en 07/2930 WWB, plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellanten zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In het onderhavige geding wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 2 november 2005 hebben appellanten schriftelijk een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van de huur en het gebruik van een bestelbus ten behoeve van het vervoer van goederen van een betaalde opslagruimte in Heerlen naar een gratis opslagruimte te Steijl.

Bij besluit van 22 november 2005 heeft het College deze aanvraag van appellanten toegewezen tot een bedrag van € 478,93.

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 22 november 2005 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat een belang bij de beoordeling hiervan ontbreekt. Het College heeft het standpunt ingenomen dat appellanten niet eerder dan op 2 november 2005 een (schriftelijke) aanvraag hebben ingediend, dat deze aanvraag is toegewezen en dat appellanten een hoger bedrag hebben ontvangen dan feitelijk met de huur van de bus was gemoeid.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het tegen het besluit van 20 juni 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit oordeel van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellanten stellen dat wel sprake is van een belang bij de beoordeling van het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2005 omdat zij schade hebben geleden als gevolg van de trage besluitvorming van het College. Zij hebben herhaald dat zij reeds medio oktober 2005 in een gesprek met de behandelend ambtenaar hebben verzocht om bijzondere bijstand in de onderhavige kosten en dat zij als gevolg van de trage afhandeling van dat verzoek de betaalde opslagruimte één maand langer hebben moeten huren.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan de omstandigheid dat schade is geleden als gevolg van bestuurlijke besluitvorming in een situatie als deze tot het oordeel leiden dat sprake is van een actueel procesbelang. Daarvoor is echter vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is.

De Raad is van oordeel dat in geval van appellanten niet aan dit vereiste is voldaan. Van een eerdere aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een bestelbus dan op

2 november 2005 is niet gebleken. De gedingstukken bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van appellanten dat zij reeds medio oktober 2005 mondeling om bijzondere bijstand in de onderhavige kosten hebben verzocht. Bovendien dient een aanvraag om bijstand ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Wet werk en bijstand schriftelijk te worden ingediend.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.C. Palmboom.