Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
27-12-2007
Zaaknummer
07-2925 WWB + 07-2926 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand voor kosten opslagruimte en transport. Vriendendienst? Noodzakelijke kosten van transport?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2925 WWB

07/2926 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellanten]

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 april 2007, 06/1245 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. Y. van der Linden, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met dat in de zaken met de nummers 05/3294 NABW, 05/3368 NABW, 07/2913 WWB, 07/2916 WWB tot en met 07/2924 WWB, 07/2929 WWB en 07/2930 WWB, plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellanten zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In het onderhavige geding wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellanten hebben hun woning in de gemeente Gulpen-Wittem met ingang van

1 oktober 2002 moeten ontruimen. Aansluitend waren zij woonachtig in een gemeubileerde vakantiebungalow in dezelfde gemeente en hebben zij een gedeelte van hun inboedel elders opgeslagen. Appellanten hebben met ingang van 1 augustus 2003 hun intrek genomen in een woning in de gemeente Venlo. In november 2005 hebben zij goederen verplaatst van een opslagruimte te Heerlen naar een opslagruimte te Steijl. Hierin zijn appellanten bijgestaan door een zoon en twee van diens vrienden.

Op 7 december 2005 hebben appellanten, voor zover in dit geding van belang, een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand als bedoeld in de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van hulp door derden bij het verplaatsen van de opgeslagen goederen ten bedrage van € 175,00.

Bij besluit van 8 december 2005 heeft het College, voor zover hier van belang, appellanten bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 75,00 in verband met voormelde kosten.

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 8 december 2005 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat de kosten van hulp door een zoon en diens vrienden bij het verplaatsen van opgeslagen goederen niet als noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden aangemerkt en dat € 75,00 zonder meer redelijk is voor een vriendendienst. De niet door appellanten in het aanvraagformulier vermelde kosten heeft het College buiten beschouwing gelaten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 juni 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

De Raad is met het College en de rechtbank van oordeel dat de kosten van de door een zoon en diens vrienden verleende hulp bij het verplaatsen van de goederen naar een andere opslagruimte niet zijn aan te merken als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en dat appellanten niet tekort zijn gedaan met het toegekende bedrag van € 75,--.

De Raad stelt voorts vast dat het door appellanten ondertekende aanvraagformulier van

7 december 2005 betrekking heeft op de kosten van het vervoer van goederen en niet tevens ziet op opleidingskosten van de kinderen over 2003-2004, de laatste maand huur van de opslagruimte te Heerlen, vervoerkosten in verband met het schoonmaken van deze opslagruimte en het inleveren van de sleutel en de kosten van twee fietsen voor de kinderen. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB wordt het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vastgesteld, tenzij een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is. Van dit laatste is in het geval van appellanten niet gebleken. De Raad ziet niet in dat het aan de behandelend ambtenaar was om voormelde kosten op te nemen in het aanvraagformulier. De Raad is derhalve evenals de rechtbank van oordeel dat het College deze kosten terecht buiten beschouwing heeft gelaten bij de besluitvorming.

In hetgeen door appellanten is aangevoerd met betrekking tot hun medische situatie ziet de Raad geen zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB op grond waarvan alsnog (tot een hoger bedrag aan) bijstand kan worden toegekend.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.C. Palmboom.