Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
27-12-2007
Zaaknummer
05-2448 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Medische onderbouwing voldoende? Voldoende arbeidskundige onderbouwing eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2448 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 maart 2005, 04/1141 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F.M. Raaijmakers, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2007. Namens appellant is verschenen mr. Raaijmakers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

R. Zaagsma.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 8 juni 2007 nadere informatie verstrekt. Bij brief van 22 augustus 2007 is namens appellant hierop een reactie gegeven, gevolgd door een aanvullende rapportage van het Uwv van 4 september 2007.

Partijen hebben erin toegestemd dat een nadere behandeling ter zitting achterwege blijft.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die werkzaam was als taxichauffeur, is in november 2002 uitgevallen met psychische klachten. In het kader van de beoordeling bij het einde van de wachttijd zijn na medisch onderzoek voor appellant psychische en fysieke beperkingen aangenomen, die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Arbeidskundig onderzoek leidde tot de conclusie dat voor appellant met zijn beperkingen een aantal functies kon worden geselecteerd, waarmee hij een zodanig inkomen kon verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% was. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2003 geweigerd appellant per 13 november 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 mei 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat zijn psychische klachten, die samen hangen met een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS), niet zijn verminderd en zelfs zijn toegenomen. Hij acht zich meer beperkt dan de (bezwaar)verzekeringsarts heeft aangenomen. Appellant meent dat ten onrechte is nagelaten hem door een deskundige te laten onderzoeken. Bovendien meent appellant dat de belasting in de geselecteerde functies onvoldoende te verifiëren is.

Het Uwv heeft het in het bestreden besluit neergelegde standpunt onverminderd gehandhaafd.

Naar het oordeel van de Raad berust het bestreden besluit op een zorgvuldig medisch onderzoek. Appellant is door de primaire verzekeringsarts onderzocht en door de bezwaarverzekeringsarts A.A.W. Haver gezien op de hoorzitting. Voorts is in bezwaar informatie gevraagd aan en verkregen van de behandelend sector.

De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. In dat verband merkt de Raad op dat aan het namens appellant in hoger beroep ingezonden rapport van de psychiater H.G. Henneberg van 2 december 2005 niet die betekenis kan worden gehecht die appellant daaraan geeft. Het rapport van Henneberg is blijkens de vraagstelling uitgebracht in het kader van een letselschadeprocedure en geeft geen inzicht in de psychische toestand van appellant rond de datum in geding, 13 november 2003. Ten aanzien van de eveneens in hoger beroep ingezonden brief van 6 maart 2007 van Roads, een organisatie die mensen met een psychische of psychiatrische achtergrond begeleidt en ondersteunt, en de brief van psycholoog A.J. de Bruyne van 9 maart 2007 merkt de Raad op dat beide brieven inzicht geven in de (medische) situatie van appellant sedert 2006 en niet per 13 november 2003. Reeds daarom kunnen deze brieven in het onderhavige geding geen rol spelen. Gelet hierop ziet de Raad ook geen aanleiding voor benoeming van een deskundige.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat niet kan worden gezegd dat de (bezwaar)verzekeringsarts de beperkingen van appellant heeft onderschat. Dat de psychische klachten van appellant na de datum in geding mogelijk zijn toegenomen, is geen reden om ten aanzien van de datum in geding voor appellant meer beperkingen aan te nemen.

De arbeidsdeskundige N.M.C. Linden heeft voor appellant een groot aantal functies geselecteerd die hij met zijn beperkingen zou kunnen verrichten. Blijkens de op verzoek van de Raad door de bezwaararbeidsdeskundige B. van Eck gegeven nadere toelichting op de markeringen in de functiebelastingen zijn weliswaar enkele functies alsnog niet geschikt bevonden, maar is er voor appellant met zijn beperkingen geen beletsel om de overige functies te verrichten. Er resteren voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen, zodat de schatting hierop gebaseerd kon worden. Echter, nu deze toelichting niet eerder dan in hoger beroep is gegeven, ziet de Raad aanleiding het bestreden besluit te vernietigen onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en

C.P.M. van de Kerkhof en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) A. van Netten.