Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0687

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
06-976 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering (55-65%). Bij nader besluit herziening naar 65-80%. Toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing eerst in hoger beroep. Overschrijding belastbaarheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/976 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 januari 2006, 05/1921 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.M. Sio, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.R. Samuel, advocaat te Made. Het Uwv is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is voor 45 uur per week werkzaam geweest als shopmanager. Voor dat werk is hij in augustus 1998 ongeschikt geworden vanwege nek- en gewrichtsklachten.

Met ingang van 9 augustus 1999 is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 28 september 2004 appellants WAO-uitkering met ingang van 29 november 2004 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij besluit van 26 april 2005, hierna: bestreden besluit I, heeft het Uwv appellants bezwaren tegen het besluit van

28 september 2004 ongegrond verklaard.

Tegen bestreden besluit I heeft appellant beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft het Uwv op 3 oktober 2005 een nieuw besluit op bezwaar (hierna: bestreden besluit II) genomen. Bij dat besluit heeft het Uwv appellants bezwaar alsnog gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 november 2004 vastgesteld op 65 tot 80%. Onder toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het beroep mede gericht geacht tegen bestreden besluit II.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I

niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van bestreden besluit II overwoog de rechtbank dat de verzekeringsartsen van het Uwv niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld en dat de door appellant overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van deze artsen. De rechtbank overwoog voorts dat zij op basis van de stukken voldoende overtuigd was van de geschiktheid voor appellant van de door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies. De rechtbank verklaarde het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond.

In hoger beroep is de vraag aan de orde of het bestreden besluit II op een afdoende medische en arbeidskundige grondslag berust. Appellant voert, naar de kern genomen, daartegen dezelfde gronden aan als in bezwaar en in beroep.

De Raad overweegt het volgende.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant geen medische informatie naar voren heeft gebracht, die erop wijst dat appellant meer of andere beperkingen ondervindt dan die waar het Uwv vanuit is gegaan. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat door het Uwv aanzienlijke beperkingen van de belastbaarheid van de handen, schouders, nek, heupen en de rug zijn aangenomen. Voorts wordt appellant beperkt geacht voor arbeid in de vroege ochtend in verband met opstartproblemen.

Zoals blijkt uit de rapportage van bezwaarverzekeringsarts P. van Muijen van 22 april 2005 is bij de heroverweging met betrekking tot appellants belastbaarheid rekening gehouden met de door appellant ingebrachte informatie van de behandelend artsen. Verder blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts informatie heeft opgevraagd bij de behandelend neuroloog H.B.C. Verbiest. Dat de bezwaarverzekeringsarts appellant niet zelf lichamelijk heeft onderzocht, acht de Raad in dit geval op zichzelf onvoldoende om het onderzoek als onzorgvuldig te kwalificeren.

De Raad acht nadere onderbouwing door de bezwaarverzekeringsarts van zijn conclusies niet aangewezen op de enkele grond dat artrose, waarvan een deel van appellants beperkingen het gevolg is, een degeneratieve aandoening is. Zoals blijkt uit genoemde rapportage van 22 april 2005, is die omstandigheid door de bezwaarverzekeringsarts in zijn beoordeling betrokken.

In navolging van de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv bij de medische beoordeling van appellants mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO op de datum die in geding is, te weten 29 november 2004, geen aandacht hoefde te besteden aan de rapportage van 29 augustus 2005 van bezwaarverzekeringsarts T.J.A. Boel.

Deze rapportage betreft immers appellants aanspraak op een uitkering ingevolge de Ziektewet op een latere datum (6 juni 2005).

Ten overvloede overweegt de Raad nog dat in deze rapportage veeleer steun voor het standpunt van het Uwv in het onderhavige geding lijkt te kunnen worden gevonden, dan voor dat van appellant. De bezwaarverzekeringsarts komt in de rapportage van 29 augustus 2005 immers, mede op basis van een eigen lichamelijk onderzoek van appellant en van nadere informatie vanuit de behandelende sector, tot een in de kern gelijkluidende conclusie met betrekking tot appellants belastbaarheid als bezwaarverzekeringsarts Van Muijen in diens rapportage van 22 april 2005.

De Raad stelt vast dat uit de in hoger beroep overgelegde memo van bezwaarverzekeringsarts Van Muijen van 21 augustus 2007 blijkt dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) die mede ten grondslag ligt aan bestreden besluit II een zogenoemde verborgen beperking bevat, namelijk een beperkende toelichting ten aanzien van repetitief hand- en vingergebruik, die als een zelfstandige beperking van de beiderzijdse knijpkracht had moeten worden omschreven. Naar blijkt uit de KFML van 21 augustus 2007 heeft Van Muijen deze beperking alsnog opgenomen.

Wat de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit II betreft, overweegt de Raad dat het Uwv pas in hoger beroep met een arbeidskundige rapportage van 27 augustus 2007 de geschiktheid van de geduide functies van een motivering heeft voorzien, die voldoet aan de eisen van inzichtelijkheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid, bedoeld in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 e.v.). Onder verwijzing naar die uitspraken, alsmede naar de uitspraak van 23 februari 2007 (LJN: AZ9153) inzake verborgen beperkingen, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking komt, nu een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing eerst in hoger beroep is geleverd. Hieruit volgt ook dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

De Raad is van oordeel dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit II in stand kunnen blijven. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht, anders dan appellant, niet tegenstrijdig dat in de arbeidskundige rapportage van 27 september 2005 de functie van suppoost (SBC-code 342021) is vervallen, terwijl de functie acquisiteur (SBC-code 516180) is gehandhaafd, hoewel beide functies onregelmatige dan wel afwijkende arbeidstijden kennen. Uit genoemde arbeidsdeskundige rapportage blijkt immers dat de functie van suppoost niet is vervallen op grond van de afwijkende arbeidstijden, maar omdat het loon in deze functie een toeslag voor afwijkende arbeidstijden omvat en het maatmanloon niet. De functie van acquisiteur kent een dergelijke toeslag niet, zodat deze functie wel aan appellant kan worden voorgehouden. De Raad wijst erop dat appellant beperkt is geacht voor arbeid in de vroege ochtend, maar niet anderszins voor werk op onregelmatige of afwijkende tijden.

Verder is de Raad van oordeel dat de geduide functies, ook voor zover daarin ’s ochtends arbeid moet worden verricht, appellants belastbaarheid niet overschrijden. Het Uwv heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat dit niet om arbeid gaat die zeer vroeg in de morgen aanvangt.

Ten aanzien van het computergebruik in de functies van acquisiteur en telefonist/receptionist (SBC-code 315120) kan de Raad zich verenigen met het betoog van het Uwv dat appellants mogelijkheden niet worden overschreden nu er in deze functies met betrekking tot computervaardigheden geen opleidingseisen zijn gesteld, deze werkzaamheden eenvoudig van aard zijn en niet de hoofdmoot van de werkzaamheden vormen. De Raad voegt daar nog aan toe dat de duur en intensiteit van de computerwerkzaamheden binnen de in de FML verwoorde beperking ten aanzien van muis- en toetsenbordgebruik blijft.

De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid zou zijn uitgegaan van maatmanarbeid in een omvang van 38 uur in plaats van 45 uur per week. Uit de door het Uwv gehanteerde zogenoemde reductiefactor die op het uurloon van de geduide functies wordt toegepast, blijkt immers dat is uitgegaan van een maatmanarbeid met een omvang van 45 uur per week.

Zo bedraagt de reductiefactor in de functie chauffeur bijzonder vervoer 0,44, hetgeen correspondeert met de urenomvang van 20 in die functie gedeeld door de urenomvang van 45 in de maatmanarbeid.

De Raad kan appellant evenmin volgen in zijn betoog dat de mate van arbeidsongeschiktheid ten onrechte volgens nieuwe, strengere criteria zou zijn beoordeeld. In de arbeidskundige rapportage van 21 september 2004 heeft arbeidsdeskundige P. de Jong aangegeven dat per geduide SBC-code minstens 7 arbeidsplaatsen aanwijsbaar moeten zijn. Hieruit blijkt dat niet het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is toegepast, waarin is bepaald dat er minimaal 3 arbeidsplaatsen per geduide SBC-code aanwezig moeten zijn. In het Schattingsbesluit zoals dat van toepassing was op de in geding zijnde datum gold het door De Jong gehanteerde minimum van 7 arbeidsplaatsen.

De Raad komt tot de slotsom dat met de arbeidskundige rapportage van 27 augustus 2007 uiteindelijk voldoende is toegelicht en inzichtelijk is gemaakt dat in de geduide functies appellants belastbaarheid niet wordt overschreden.

Op grond van het hiervoor overwogene is de Raad van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Vernietigt het bestreden besluit II;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en J.F. Bandringa en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) M. Gunter.

JL