Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
06-1789 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Complete en overtuigende motivering van het WAO-besluit eerst in hoger beroep gegegeven. Vernietiging besluit met in stand laten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1789 WAO (gerectificeerde uitspraak)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 februari 2006, 05/762 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.M.W. Bongers, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2007.

Appellant is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. London.

II. OVERWEGINGEN

Appellant ontving sinds 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Naar aanleiding van een aanvraag om verhoging van deze uitkering heeft het Uwv appellant bij besluit van 16 juli 2003 meegedeeld dat de uitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Nadat appellant tegen dit besluit bezwaar had gemaakt, is hij op 1 april 2004 onderzocht door de verzekeringsarts J. Broux. Deze heeft op basis van dit onderzoek, dossierstudie en aanvullende informatie van de behandelend sector in zijn rapport van 26 mei 2004 overwogen dat appellant een gedeeltelijke WAO-uitkering ontvangt op grond van psychische problematiek en dat hij zich toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld met locomotore klachten. Volgens de verzekeringsarts was de psychische toestand van appellant stabiel en was sprake van toegenomen beperkingen op het gebied van schouderbelasting. Hij heeft de beperkingen van appellant neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Deze bevat een aantal beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren en ten aanzien van de schouderklachten de beperking dat appellant minder dan 5 minuten achtereen boven schouderhoogte actief kan zijn. Als toelichting is hierbij vermeld: links maximaal 5 minuten, rechts kan hij de arm tot 90° naar voren en zijwaarts buigen. Voorts is een urenbeperking tot 4 uur per dag en 20 uur per week opgenomen. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd die appellant zou kunnen verrichten: productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) en productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043). Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 65,9%. Bij besluit van 26 juli 2004 heeft het Uwv het besluit van 16 juli 2003 ingetrokken en de uitkering met ingang van 16 juli 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts J.J. Nasheed-Linssen heeft vervolgens op basis van bestudering van het dossier geconcludeerd dat de beperkingen van appellant, zoals neergelegd in de FML, niet zijn onderschat. Daarna heeft bezwaararbeidsdeskundige A.G.W.P. van Gorp blijkens zijn rapport van 7 november 2004 de geselecteerde functies onverminderd geschikt geacht voor appellant en een mate van arbeidsongeschiktheid van 68,6% berekend. Bij besluit van 9 februari 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen het besluit van 26 juli 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat niet is gebleken van meer of grotere objectiveerbare afwijkingen in de gezondheidstoestand van appellant en geen aanleiding gezien om aan te nemen dat appellants lichamelijke beperkingen zijn onderschat. Voorts moet appellant naar het oordeel van de rechtbank met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen in staat worden geacht de geduide functies te vervullen.

In hoger beroep heeft appellant, samengevat, zijn standpunt herhaald dat zijn lichamelijke en psychische klachten niet voldoende in de FML zijn weergegeven en dat de geduide functies zijn mogelijkheden te boven gaan. Het Uwv heeft volgens appellant onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom deze functies voor hem geschikt zouden zijn te achten. Ter onderbouwing heeft appellant brieven van de orthopedisch chirurg R.A.M. van Drumpt van 20 april 2006 en 15 juni 2006 overgelegd, alsmede een verklaring van de fysiotherapeut R. Klaassen van 19 juli 2006. Hierop is gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke bij rapport van 4 september 2006. De bezwaararbeidsdeskundige A.M. Beckers heeft desgevraagd bij rapport van

4 oktober 2007 een toelichting gegeven op enkele belastingaspecten in de geduide functies.

Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding voor het oordeel dat de beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld. De reactie van bezwaarverzekeringsarts Fokke op de door appellant in hoger beroep ingebrachte informatie, kan de Raad onderschrijven. De Raad merkt hierbij op dat de operatie op 14 juni 2006 aan appellants linkerschouder bijna drie jaar na de datum hier in geding, 16 juli 2003, heeft plaatsgevonden. Voorts is met de informatie van de orthopedisch chirurg A.A. Krijgsman van 18 juni 2003, derhalve kort vóór de datum in geding, rekening gehouden door de verzekeringsarts Broux. Deze informatie strookt met de bevindingen van Broux die bij lichamelijk onderzoek geen grote beperkingen van de schouderfunctie constateerde. In verband met appellants psychische klachten zijn in de FML enige beperkingen opgenomen, onder meer wat betreft handelingstempo, deadlines, verstoringen en het werken in teamverband. Appellant heeft op dit punt geen nadere informatie ingebracht, zodat de Raad geen aanleiding ziet om te twijfelen aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts over deze beperkingen.

De Raad is voorts van oordeel dat appellant in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten. De Raad stelt evenwel vast dat een complete en overtuigende motivering ten aanzien van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid op de aspecten ‘werken zonder veelvuldige storingen’ en ‘minder geschikt om in uitgebreid teamverband te werken’ eerst is gegeven in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Beckers van 4 oktober 2007. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding om, in het licht van zijn uitspraken van 9 november 2004 over het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan

€ 644,- aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en E. Dijt en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.

JL