Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0446

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
06/614 WAO, 06/2218 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering en WAO-schatting. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/614 WAO, 06/2218 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraken van de rechtbank Leeuwarden van 28 december 2005, 05/356 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 7 maart 2006, 05/421 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Rijnsburger, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2007. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was voorheen werkzaam als schoonmaker. Hij heeft zich op 13 december 2002 ziekgemeld met klachten in verband met diabetes mellitus. Appellant is op 6 januari 2004 gezien door de verzekeringarts, die heeft geconcludeerd dat appellant met inachtneming van beperkingen in staat is tot het verrichten van werk. In de Functionele MogelijkhedenLijst heeft de verzekeringsarts beperkingen gesteld in verband met onder meer vermoeidheidsklachten en psychische klachten. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en in zijn rapportage van 21 januari 2004 geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 3 februari 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 12 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Op 29 september 2004 heeft appellant zich ziekgemeld in verband met zijn bloedsuikerspiegel en psychische klachten. De verzekeringsarts heeft appellant op 13 oktober 2004 thuis bezocht. De verzekeringsarts heeft appellant in staat geacht de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. Bij besluit van 14 oktober 2004 heeft het Uwv met ingang van die datum de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 1 februari 2005 overwogen geen reden te zien af te wijken van de conclusies van de verzekeringsarts.

De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant per 14 oktober 2004 dezelfde beperkingen heeft als op 12 december 2003 en dat appellant op 14 oktober 2004 nog steeds geschikt is voor de geselecteerde functies.

Bij besluit van 28 februari 2005 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het besluit van 3 februari 2004 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 2004 is bij besluit van 18 maart 2005 (bestreden besluit 2) eveneens ongegrond verklaard.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft nader onderzocht of de belasting in de geselecteerde functies gelet op de gestelde beperkingen de belastbaarheid van appellant overschrijdt. In de rapportage van 11 april 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat drie van de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich verenigd met de vaststelling van de belastbaarheid per 12 december 2003. Daarbij is overwogen dat de opname van appellant in april 2004 er vooral op was gericht te voorkomen dat de slechte instelling van de insuline van appellant op de lange termijn nadelige consequenties voor zijn gezondheid zou hebben. Uit het in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) gegeven indicatiebesluit en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken kan niet worden afgeleid dat werk in het vrije bedrijfs- en beroepsleven buiten het bereik van appellant ligt. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant op 12 december 2003 in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten.

De rechtbank heeft zich in aangevallen uitspraak 2 verenigd met het standpunt van het Uwv dat op 14 oktober 2004 geen sprake was van een slechtere medische situatie dan op 12 december 2003 en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verkaard.

Naar het oordeel van de Raad zijn de op 12 december 2003 geldende beperkingen van appellant in voldoende mate onderkend. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft zijn bevindingen mede gebaseerd op de informatie van de huisarts en de behandelend internisten. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben rekening gehouden met de klachten

- waaronder vermoeidheidsklachten en psychische klachten - die (mede) werden veroorzaakt doordat appellant moeite had zich in te stellen op insuline en zijn gedrag op de ziekte aan te passen. Niet relevant is of deze klachten en dit gedrag hem verwijtbaar zijn. Ook de vraag of deze klachten en dit gedrag (mede) voortvloeien uit de karakterstructuur van appellant kan in het midden blijven, nu de (bezwaar)verzekeringsarts bij het stellen van de beperkingen rekening gehouden heeft met deze klachten.

Met de rechtbank stelt de Raad vast dat de opname van appellant in april 2004 er vooral op was gericht te voorkomen dat de slechte instelling van appellant op insuline op lange termijn schadelijke gevolgen voor zijn gezondheid zou hebben. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de moeilijkheden van appellant met het instellen op insuline per 12 december 2003 verdergaande beperkingen voor het verrichten van arbeid meebrengen dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. De door appellant in beroep overgelegde brieven van de behandelend internisten van 20 september 2004 en van 26 oktober 2005, alsmede het journaal van de poliklinische diabetesbehandeling van appellant, bevestigen het beeld dat voorafgaand aan de opname van appellant in april 2004 de diabetes slecht was gereguleerd. De Raad ziet in de in hoger beroep overgelegde huisartsbrief van 8 oktober 2007 en de overige medische informatie onvoldoende grond voor aanvaarding van de stelling van appellant dat van de hypo’s een sterker effect op zijn vermoeidheid uitgaat dan de (bezwaar)verzekeringsartsen hebben aangenomen.

De Raad overweegt voorts dat de bezwaarverzekeringsarts het WSW-indicatiebesluit en de daaraan ten grondslag liggende gegevens in zijn beschouwing heeft betrokken. Ten aanzien van de bevindingen van de psycholoog dat sprake is van acceptatieproblematiek en een gedeprimeerde stemming, heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat die bevindingen nauwelijks op enig eigen onderzoek zijn gebaseerd en dat de psycholoog die bevindingen niet in verband heeft gebracht met het bestaan van ziekte of gebrek. De Raad verenigt zich met die overweging. Naar het oordeel van de Raad is voldoende gemotiveerd - anders dan bijvoorbeeld het geval was in ’s Raads uitspraak van 24 oktober 2006 (LJN: AZ0958) - dat de in het kader van de WSW aangenomen beperkingen niet tot verdergaande beperkingen voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO leiden.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij niet in staat is tot werk op de reguliere arbeidsmarkt, heeft appellant, die inmiddels werkzaam is in WSW-verband, gewezen op de veelvuldige ziekmeldingen over de periode van augustus 2006 tot september 2007. Uit de overgelegde gegevens maakt de Raad evenwel op dat slechts twee van de geregistreerde ziekmeldingen verband houden met de bloedsuikerspiegel van appellant. De gegevens zien voorts op een periode die geruime tijd na de hier in geding zijnde data 12 december 2003 en 14 oktober 2004 is gelegen. Die gegevens leiden dan ook niet tot twijfel aan de juistheid van de gestelde beperkingen, zodat de stelling moet worden verworpen.

Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts zorgvuldig geweest en is er ook overigens geen aanleiding aan de juistheid van diens conclusie te twijfelen.

Voorts is naar het oordeel van de Raad in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 april 2005 de geschiktheid van - tenminste drie van - de geselecteerde functies van een toereikende motivering voorzien. Met het Uwv en de rechtbank concludeert de Raad dat appellant in staat moet worden geacht die functies te verrichten en zich met die functies tenminste een zodanig inkomen te verwerven dat zijn inkomensverlies minder dan 15% bedraagt.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 1 februari 2005 appellant per 14 oktober 2004 geschikt geacht voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. Overwogen is dat appellant na zijn opname in april 2004 en na begeleiding in de zomer van 2004 beter was ingesteld op insuline. De psychische toestand van appellant was dezelfde als die per 12 december 2003. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich daarbij gebaseerd op de informatie van de huisarts en de internisten. Naar het oordeel van de Raad berusten de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts op zorgvuldig onderzoek. De Raad heeft geen aanleiding gezien eraan te twijfelen dat de medische toestand van appellant op 14 oktober 2004 niet slechter was dan de toestand op 12 december 2003. De conclusie van het Uwv dat appellant op

14 oktober 2004 geschikt was voor - tenminste één van - de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies, acht de Raad dan ook juist. Anders dan appellant heeft betoogd, staat in het kader van de ZW niet ter beoordeling of deze functies actueel zijn.

De aangevallen uitspraken komen derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt aangevallen uitspraak 1;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

JL