Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0438

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
06-3595 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag ambtenaar. Onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Weigering tot reintegratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3595 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 mei 2006, 05/1749 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L) (hierna: college)

Datum uitspraak: 6 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2007. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en G.B. Kuipers, secretaris van de gemeente Bergen (L)

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Na een reorganisatie is appellant met ingang van 1 juni 2000 benoemd als project-coördinator bij de sector [sector]. Zijn feitelijke werkzaamheden zijn sinds die tijd steeds meer verschoven naar werkzaamheden voor recreatie en toerisme. In 2002 heeft het college besloten een ambtenaar aan te trekken voor recreatie, toerisme en economische zaken. Met appellant zijn vervolgens gesprekken gevoerd over het over-dragen van zijn taken op het gebied van recreatie en toerisme en het oppakken van nieuwe taken op het gebied van ruimtelijke ordening. Omdat appellant niet bereid was werkzaamheden in het kader van bestemmingsplannen te verrichten heeft het college in een brief van 29 januari 2003 een aantal door appellant te verrichten projecten op het gebied van ruimtelijke ordening benoemd en meegedeeld dat het maken en begeleiden van bestemmingsplannen past binnen de karakteristiek van de door appellant vervulde functie. Appellant heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 4 september 2003 niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Appellant heeft zich op 2 juni 2003 met klachten als gevolg van spanningen veroorzaakt in de arbeidsverhouding ziek gemeld. Op 3 juli 2003 heeft in aanwezigheid van een bedrijfsmaatschappelijk werkster, verbonden aan ArboNed, een gesprek plaats gevonden tussen appellant, zijn leidinggevende en de gemeentesecretaris. Appellant is in dat gesprek de keus voorgelegd tussen vertrekken of onvoorwaardelijk loyaal werken volgens de eerder gegeven opdracht. Tijdens zijn op 7 juli 2003 aangevangen vakantie is appellant per 10 juli 2003 volledig arbeidsgeschikt verklaard. Appellant heeft na terug-komst van vakantie een dag gewerkt en zich op 5 augustus 2003 opnieuw ziek gemeld. Na een hersteldverklaring per 8 augustus 2003, die na een second opinion is terug-gedraaid, en diverse besprekingen zou appellant met ingang van 13 oktober 2003 re-integreren in zijn eigen functie. De re-integratie is niet doorgegaan omdat de huisarts appellant heeft verboden het werk te hervatten.

1.3. In januari 2004 heeft het college appellant laten weten dat hervatting in zijn eigen functie (dan wel in een andere functie binnen de gemeentelijke organisatie) niet langer een realistische oplossing is, omdat appellant naar het oordeel van de bedrijfsarts situationeel arbeidsongeschikt is. Bij brief van 10 februari 2004 heeft het college appellant bericht dat de re-integratie gericht zal worden op het tot stand brengen van een detacheringsconstructie. Daartoe heeft het college appellant onder meer onderworpen aan een onderzoek door bureau P&O Services. Appellant is met ingang van 13 mei 2004 op detacheringsbasis gaan werken als beleidsmedewerker ruimtelijke ordening bij de gemeente Mook en Middelaar.

1.4. In verband met het naderende einde van de periode van detachering hebben besprekingen plaats gevonden om te komen tot een minnelijke schikking. Deze besprekingen hebben niet tot overeenstemming geleid, waarna het college op 24 februari 2005 aan appellant het voornemen tot ontslag heeft kenbaar gemaakt, waartegen appellant zijn zienswijze heeft ingebracht.

1.5. Het college heeft vervolgens bij besluit van 6 april 2005 aan appellant met ingang van 1 mei 2005 met toepassing van artikel 8:6 van de Verordening arbeidsvoorwaarden van de gemeente Bergen (L) eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de functie van projectcoördinator anders dan op grond van ziekten of gebreken. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 september 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

3.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of bij appellant sprake is van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

3.2. In de gang van zaken rondom de vakantie van appellant in 2003 zijn naar het oordeel van de Raad, anders dan het college van mening is, dergelijke concrete gedragingen van appellant niet aan te wijzen. Uit de brief die het college op 10 juli 2003 aan appellant heeft gestuurd blijkt dat het college op de hoogte was van de voorgenomen vakantie van appellant van 7 juli tot 4 augustus 2003. Appellant heeft voorafgaand aan zijn vakantie op 4 juli 2003 contact gehad met de aan Arboned verbonden bedrijfsmaatschappelijk werkster, die geen bezwaar tegen zijn vakantie had. De Raad heeft geen reden om te twijfelen aan het relaas van appellant dat hij op 7 juli 2003 vergeefs heeft geprobeerd contact te krijgen met de bedrijfsarts. Toen appellant bij brief aan zijn huisadres werd opgeroepen voor het spreekuur op 9 juli 2003 was dan ook zowel bij Arboned als bij het college bekend dat appellant op vakantie was.

3.3. De Raad kan het college niet volgen in diens stelling dat tijdens een gesprek op 25 augustus 2003 in overleg met de raadsvrouwe van appellant gezamenlijk de conclusie is getrokken dat terugkeer van appellant binnen de gemeente niet meer tot de mogelijk-heden behoorde. In haar brief van 1 oktober 2003 heeft die raadsvrouwe expliciet afstand genomen van de eenzijdige verslaglegging door het college. Zij heeft verder aangegeven dat appellant wel de intentie wil uitspreken zich op vrijwillige basis te verdiepen in en te oriënteren op een mogelijke betrekking buiten de gemeente Bergen, maar dat hij zich daartoe niet wil verplichten. De Raad kan hierin evenmin een concrete gedraging als bedoeld in rechtsoverweging 3.1. zien.

3.4. Vast staat dat appellant zich aanvankelijk heeft verzet tegen het moeten verrichten van werkzaamheden in het kader van de totstandkoming van bestemmingsplannen. Appellant heeft deze werkzaamheden feitelijk ook niet verricht tot zijn ziekmelding op 2 juni 2003. Uit de gedingstukken blijkt echter naar het oordeel van de Raad dat appellant vervolgens zijn verzet heeft gestaakt. Het door appellant opgestelde plan van aanpak van 8 oktober 2003 bevat onder meer de toezegging van appellant dat hij geen beroep zal instellen tegen het besluit op bezwaar van 4 september 2003. Daarnaast bevat het plan twee eisen van appellant inzake het onvoorwaardelijk intrekken door het college van een aantal brieven. Blijkens het door het college bijgehouden logboek heeft appellant deze eisen, die het college niet acceptabel vond, ingetrokken. Volgens afspraak zou appellant op 13 oktober 2003 gaan werken en daarbij de werkzaamheden (onder meer inzake bestemmingsplannen) verrichten die opgesomd staan in de door het sectorhoofd op 9 oktober 2003 opgestelde lijst. Tot een werkhervatting is het niet gekomen omdat appellant het advies van zijn huisarts om niet te gaan werken heeft gevolgd. Uit de brief van Arboned aan het college van 27 november 2003 blijkt dat er sprake was van potentieel levensbedreigende medische klachten. De bedrijfsarts heeft, na ontvangen informatie van de behandelend specialist, appellant op zijn spreekuur van 16 december 2003 weer in staat en geschikt geacht om actief bij te dragen aan zijn re-integratieproces.

3.5. Naar het oordeel van de Raad had het toen op de weg van het college gelegen om appellant te re-integreren in zijn eigen werk. Hoewel invoelbaar is dat het college moeite had met de mislukte re-integratie in oktober 2003, wijzen de gedingstukken erop dat aan die mislukking niet de halsstarrige houding van appellant, maar een reële arbeids-ongeschiktheid ten grondslag heeft gelegen. Door die re-integratie na te laten en vast te houden aan het zoeken van een oplossing buiten de gemeente heeft het college niet zorgvuldig gehandeld.

3.6. De uiteindelijk door de bedrijfsarts in februari 2004 getrokken conclusie dat appellant in principe geschikt is voor zijn eigen werk, maar niet langer bij de gemeente Bergen is een conclusie die naar het oordeel van de Raad niet zozeer is gegrond op objectieve medische gegevens, maar op de weigerachtige houding van het college om appellant in zijn eigen functie te laten re-integreren.

3.7. Aan de overige door het college genoemde concrete gedragingen na december 2003 - in het bijzonder zijn beëindiging van de detacheringswerkzaamheden bij de gemeente Mook en Middelaar - kent de Raad, gelet op voorgaande overwegingen, geen betekenis toe. Wel is van belang dat blijkens het eerdergenoemde logboek van het college de nieuwe gemachtigde van appellant reeds in een brief van 5 januari 2004 heeft aangegeven dat appellant in zijn eigen functie wilde hervatten.

3.8. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant ongeschikt is voor zijn functie. Hieruit volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 8:6 van de betrokken rechtspositieregeling voor vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit ten onrechte in stand is gelaten.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 18,88 aan reiskosten en in hoger beroep tot een bedrag van € 30,58 aan reiskosten en € 125,04 aan verletkosten, derhalve in totaal € 174,50.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 174,50, te betalen door de gemeente Bergen (L);

Bepaalt dat de gemeente Bergen (L) aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 349,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.R.S. Bacon.

HD