Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
06-5704 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WW-uitkering. Verschuiving van de einddatum van de loongerelateerde uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5704 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 augustus 2006, 05/2741 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 december 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.E.C. Veugen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Bij besluit van 25 maart 1999 is aan appellant met ingang van 8 maart 1999 een loongerelateerde uitkering ingevolge de WW toegekend tot en met 7 maart 2003, waarna appellant nog recht heeft op een vervolguitkering. Tegen dit besluit is door appellant geen bezwaar gemaakt, zodat dit in rechte onaantastbaar is geworden.

2.2. Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat hij de loongerelateerde uitkering ontvangt tot 13 november 2004 en dat hij vanaf die datum recht heeft op twee jaar vervolguitkering. Na tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft het Uwv zijn standpunt bij beslissing van 16 november 2005 gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat de einddatum van de loongerelateerde uitkering is verschoven in verband met perioden waarin de WW-uitkering is beëindigd omdat appellant in meerdere periodes arbeidsongeschikt is geweest en uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft ontvangen. Dat heeft ertoe geleid dat de einddatum met 617 kalenderdagen is verschoven tot 13 november 2004.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat aan de hand van de gedingstukken kan worden vastgesteld welke data bepalend zijn geweest voor de verschuiving van de einddatum van de loongerelateerde uitkering van appellant. Te rekenen vanaf de oorspronkelijke einddatum (7 maart 2003) heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv terecht en op goede gronden de einddatum met 617 dagen heeft verschoven naar 13 november 2004. Uitgaande van deze datum heeft het Uwv de einddatum van de vervolguitkering eveneens terecht en op goede gronden vastgesteld op 14 november 2006.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat het Uwv ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat hij vanaf 8 maart 1999 een loongerelateerde WW-uitkering ontving, omdat deze uitkering hem eerst vanaf 3 januari 2000 rechtsgeldig is toegekend. Voorts heeft appellant gesteld dat de door het Uwv overgelegde opgave ten aanzien van de periodes waarin hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen onvolledig is geweest, omdat hij reeds vanaf 1 januari 1999 een ZW-uitkering ontving. Volgens appellant heeft een en ander tot gevolg dat de einddatum van de loongerelateerde uitkering met meer dan 617 dagen verschuift, zodat de einddatum van die uitkering na 13 november 2004 is gelegen en de einddatum van de vervolguitkering op een datum, die valt na 14 november 2006.

5.1. De Raad, beslissend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.

5.2. Op basis van de voorhanden gedingstukken, in het bijzonder het besluit van 25 maart 1999, waarbij de WW-uitkering per 8 maart 1999 is toegekend, staat naar het oordeel van de Raad vast dat appellant over de periode van 8 maart 1999 tot 30 maart 1999 een WW-uitkering heeft ontvangen. Dit laatste heeft appellant ook niet betwist. Hij betoogt dat hij geen recht had op een WW-uitkering. De Raad dient echter de vaststelling van het recht, welke uit dat besluit blijkt, als een gegeven te beschouwen. De Raad is derhalve van oordeel dat het Uwv dit gegeven terecht als uitgangspunt heeft genomen bij de vaststelling van de einddatum van de loongerelateerde WW-uitkering en dat het standpunt van appellant dat uitgegaan dient te worden van de toekenning van WW-uitkering op een latere datum met als gevolg dat ook de einddatum van de loongerelateerde uitkering zou worden opgeschoven, niet kan worden gevolgd. De Raad stelt zich voorts achter het standpunt van het Uwv dat de periode van het recht op een ZW-uitkering (vanaf 1 januari 1999) die is gelegen vóór de ingangsdatum van de WW-uitkering, gelet op artikel 43 van de WW, niet kan worden meegenomen bij verschuiving van de einddatum van de loongerelateerde uitkering. Mitsdien kunnen de in hoger beroep door appellant aangevoerde grieven niet slagen.

5.3. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.B. de Gooijer.

SG