Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
05-5649 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Zorgvuldigheid (medisch) onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5649 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 augustus 2005, 04/3202 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 29 juni 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop voornoemd. Het Uwv is met voorafgaand bericht niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek vervolgens heropend.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 2 november 2007. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is werkzaam geweest als medewerker marketing en communicatie. Zij heeft zich op 9 juni 1997 arbeidsongeschikt gemeld met psychische klachten. Mede op basis van de uitkomsten van een op verzoek van een verzekeringsarts verricht onderzoek door een psychiater en een psycholoog, is aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, aanvankelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en per mei 1999 naar 80 tot 100%.

Op 10 september 1999 heeft de verzekeringsarts M.E.I. van den Tweel-Kootker vastgesteld dat appellante nog lijdt aan een depressie, dat zij binnenkort zal worden opgenomen, en dat zij onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is.

Op 22 augustus 2003 is appellante opnieuw onderzocht, door de arts L.R. Paanakker. Deze komt op grond van vooral het zogenoemde dagverhaal tot de conclusie dat appellante geen beperkingen heeft ten opzichte van wat als normaal functioneren wordt gezien. De arbeidsdeskundige N.V.J. Daalhuizen meent dat appellante haar eigen werkzaamheden niet kan verrichten, omdat de belasting van dat werk zodanig is dat de zogenoemde normaalwaarden worden overschreden. Wel wordt appellante in staat geacht de werkzaamheden te verrichten, verbonden aan een aantal voor haar geselecteerde functies. Haar verlies aan verdiencapaciteit bedraagt ongeveer 8%, zodat bij besluit van 20 oktober 2003 de WAO-uitkering van appellante per 21 december 2003 is ingetrokken.

Nadat namens appellante op 7 december 2004 beroep was ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar bezwaren, heeft het Uwv bij het bestreden besluit van

24 februari 2005 besloten de bezwaren van appellante ongegrond te verklaren.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het uitblijven van een besluit op haar bezwaren niet-ontvankelijk verklaard met veroordeling van het Uwv in de hiermee verband houdende proceskosten van appellante. Het beroep van appellante tegen het besluit van 24 februari 2005 is door de rechtbank ongegrond verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep - dat zich uitsluitend richt tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep tegen het besluit van

24 februari 2005 - aangevoerd dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke medische grondslag en dat haar beperkingen zijn onderschat. Onder verwijzing naar recente uitspraken van de Raad stelt appellante dat de bezwaarverzekeringsarts niet had mogen volstaan met dossieronderzoek, maar appellante had moet oproepen voor een daadwerkelijk eigen onderzoek, nu de primaire medische beoordeling niet is verricht door een verzekeringsarts. Het Uwv meent dat wel voldoende onderzoek is gedaan, en dat de bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers heeft kunnen afzien van het verrichten van eigen onderzoek, gelet op de informatie van de psycholoog C. Karsten waarover de bezwaarverzekeringsarts de beschikking had en waaruit blijkt dat appellante al enige tijd niet meer voor haar psychische klachten behandeld werd, en gelet op de overwegingen uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Stammers.

De Raad overweegt als volgt.

Een beslissing tot intrekking van een WAO-uitkering dient te berusten op een zorgvuldig onderzoek, waarbij de nodige kennis over de relevante feiten en af te wegen belangen moet worden vergaard.

De onderhavige beslissing berust voor zover het de medische grondslag betreft, op het rapport van de arts Paanakker, dat is opgemaakt na een gesprek op het spreekuur en op een rapport van de bezwaarverzekeringsarts Stammers, die appellante niet zelf heeft onderzocht, en niet heeft gezien op een hoorzitting, maar wel de beschikking had over informatie van de psycholoog Karsten, die appellante tot in het voorjaar van 2000 heeft behandeld.

Gelet op de feiten en omstandigheden van de onderhavige beoordeling, en gelet op wat namens appellante in bezwaar en beroep omtrent haar medische klachten is aangevoerd, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in medische zin onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. In het bijzonder is de Raad van oordeel dat het in de rede had gelegen dat de bezwaarverzekeringsarts Stammers niet had volstaan met een dossieronderzoek. Hierbij acht de Raad van belang, dat appellante een lange periode volledig arbeidsongeschikt is geacht op grond van beperkingen die verband houden met haar psychische klachten en dat vervolgens de primaire arts slechts op basis van een eenmalig spreekuurcontact tot de conclusie is gekomen dat appellante geen arbeidsbeperkingen meer heeft. Uit de informatie van de psycholoog Karsten, waarover de primaire arts niet en de bezwaarverzekeringsarts wel de beschikking had, blijkt dat appellante sinds 2000 niet meer bij deze psycholoog onder behandeling is, maar dat Karsten appellante op

12 december 2003, kort voor de in dit geding relevante datum, heeft gesproken, en noteert dat appellante belastbaar is met werkzaamheden, mits er rekening mee wordt gehouden dat bij de functies geen sprake is van grote werkdruk, deadlines en veel hectiek. Voorts acht de Raad van belang dat appellante in bezwaar haar medische beperkingen uitgebreid heeft toegelicht en erop heeft gewezen dat zij bij een groot aantal artsen onder behandeling is geweest, en dat zij heeft aangegeven prijs te stellen op een hoorzitting indien een bezwaarverzekeringsarts aanwezig is, maar van een hoorzitting heeft afgezien, nadat telefonisch duidelijk was gemaakt dat er geen bezwaarverzekeringsarts aanwezig zou zijn. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt naar het oordeel van de Raad ook geen overtuigende motivering, voor het, ondanks voornoemde omstandigheden, afzien van een eigen onderzoek, nog daargelaten dat de primaire medische beoordeling niet is verricht door een verzekeringsarts.

Het vorenoverwogene brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit in medische zin onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd en op grond van strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak zal voor zover aangevochten worden vernietigd. Het Uwv dient opnieuw op de bezwaren van appellante te beslissen.

Namens appellante is op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan de zijde van appellante. Het ligt thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om de schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. De Raad begroot deze kosten op € 644, - aan kosten voor rechtsbijstand in beroep en € 644, - aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het inleidende beroep tegen het besluit van 24 februari 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 december 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

JL