Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0078

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
13-12-2007
Zaaknummer
06/2113 + 06/5838 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Bij nader besluit gedeeltelijke uitkering toegekend, met gewijzigde arbeidskundige onderbouwing. Onjuiste arbeidskundige grondslag. Schadevergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2113 + 06/5838 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2006, 05/3961 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts.

Het Uwv heeft tevens een nieuw besluit van 21 september 2006 ingezonden, met als bijlage een rapport van zijn bezwaararbeidsdeskundige. Nadien heeft het Uwv nog een nader rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 oktober 2006 toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2007, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellante, die in januari 2004 is uitgevallen voor haar werk van secretaresse, was vanaf 30 januari 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 2 maart 2005 heeft het Uwv deze uitkering na een herbeoordeling ingaande 2 mei 2005 ingetrokken, aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het hiertegen door appellante ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daarbij overwogen geen aanleiding te zien de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten, maar heeft aan de vernietiging ten grondslag gelegd dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ontoereikend was.

Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en een nieuw besluit van 21 september 2006 genomen waarbij een gewijzigde arbeidskundige onderbouwing is gegeven. Naar aanleiding daarvan is de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 mei 2005 alsnog bepaald op 15 tot 25%. De medische grondslag van het besluit van 21 september 2006 is identiek aan die van het besluit van 27 juli 2005.

Appellante is tegen het oordeel van de rechtbank over het besluit van 27 juli 2005 in hoger beroep gekomen. Zij is van mening dat het Uwv haar psychische beperkingen heeft onderschat en dat zij op 2 mei 2005 niet in staat was de functies te vervullen die door het Uwv bij de berekening van de mate van haar arbeidsongeschiktheid in aanmerking zijn genomen. Mocht de Raad van oordeel zijn dat haar beperkingen wel juist zijn vastgesteld, dan nog is zij van mening dat de gehanteerde functie van administratief ondersteunend medewerker niet geschikt is voor haar en moet vervallen, hetgeen zou betekenen dat de mate van arbeidsongeschiktheid uitkomt in de klasse 25 tot 35%.

De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting beaamd dat de bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid gehanteerde Sbc-code 315100 (administratief ondersteunend medewerker) ten onrechte is gehanteerd en dat deze dient te vervallen. Alsdan resteren zijns inziens nog voldoende functies die de schatting kunnen dragen en komt ook naar zijn mening de mate van arbeidsongeschiktheid uit in de klasse 25 tot 35%. Hij heeft de Raad verzocht in deze zin zelf in de zaak te voorzien.

De Raad overweegt het volgende.

Het hoger beroep wordt op de voet van artikel 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 21 september 2006, nu dit besluit in de plaats is getreden van het bestreden besluit en daarmee niet geheel aan het beroep van appellante is tegemoet gekomen. Nu appellante aan de rechtbank had verzocht om vergoeding van de schade die voortvloeit uit de onrechtmatigheid van het bestreden besluit, heeft zij tevens nog belang bij de beoordeling door de Raad van de aangevallen uitspraak.

De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv met betrekking tot appellantes aandoeningen en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Daarbij merkt de Raad op dat geen aanknopingspunten bestaan voor de opvatting dat deze artsen een onvoldoende zorgvuldig of onvoldoende diepgaand onderzoek hebben ingesteld naar haar belastbaarheid. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Met betrekking tot hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is de Raad niet tot de overtuiging gekomen dat het Uwv (verdergaande) beperkingen met name ten aanzien van concentreren, herinneren en omgaan met conflicten had moeten aannemen. Daartoe overweegt de Raad dat in het rapport van de verzekeringsarts is onderkend dat er, naast beperkingen met betrekking tot zware belasting van de nek, ook voor de psychische belastbaarheid beperkingen bestaan, waarbij het in appellantes situatie gaat om overzichtelijkheid van taken, werkdruk, conflicthantering in klantgebonden taken, lawaai, drukte en hectiek. Bij het invullen van de Functionele Mogelijkhedenlijst is ten aanzien van de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) toegelicht dat deze uitgaan van wat in het dagelijks leven normaal kan worden geacht voor de werkzame leeftijdsgroep tot 65 jaar, waarbij lage normaalwaarden zijn aangehouden. Dat in appellantes situatie is volstaan met het in deze rubrieken opnemen van beperkingen ten aanzien van werk zonder veelvuldige deadlines, productiepieken, hoge werkdruk en meer dan incidentele conflicthantering (in klantgebonden taken of in leidinggevende taken) acht de Raad met dat rapport, zoals dit naderhand is onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts, tegen de achtergrond van de gegeven toelichting voldoende onderbouwd.

De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

Het voorgaande brengt mee dat de Raad thans toekomt aan beoordeling van hetgeen appellante subsidiair heeft gesteld, namelijk dat de Sbc-code 315100 (administratief ondersteunend medewerker) moet komen te vervallen, hetgeen indeling in de klasse 25 tot 35% met zich brengt.

Het Uwv deelt het standpunt van appellante dat de Sbc-code inzake de administratief ondersteunend medewerker niet geschikt is te achten en dat dit, zij het op enigszins andere gronden, tot gevolg heeft dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante dient te worden gesteld op 25 tot 35%.

Naar het oordeel van de Raad betekent dit dat het besluit op bezwaar van 21 september 2006, als berustend op een onvoldoende deugdelijke arbeidskundige grondslag, in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep tegen dit besluit dient daarom gegrond te worden verklaard.

Gezien het voorgaande, berust ook het primaire besluit van 2 maart 2005 op een onjuiste arbeidskundige grondslag.

De Raad deelt niet appellantes opvatting dat de arbeidskundige toelichting omtrent de geschiktheid van de resterende functies (van Telefonist, receptionist 315120, Administratief medewerker afhandelingen 515080 en Productiemedewerker textiel, geen kleding 272043), zoals deze ten grondslag liggen aan het besluit van 21 september 2006, tekort schiet. De Raad is van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in voldoende mate de geschiktheid daarvan heeft gemotiveerd. De Raad verwijst in dit verband naar diens rapport van 7 september 2006.

In deze situatie, waarin beide partijen van mening zijn dat appellante, ingeval de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid en de geschiktheid van de resterende functies komt vast te staan, op de datum in geding voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt dient te worden aangemerkt, zal de Raad tegemoet komen aan het verzoek van het Uwv om in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 2 maart 2005 te herroepen en zelf deze mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen.

Ten aanzien van het verzoek van appellante om vergoeding van de schade die zij lijdt als gevolg van de indeling in een onjuiste arbeidsongeschiktheidsklasse, overweegt de Raad dat het niet langer handhaven van de klasse zoals genoemd in het besluit van 21 september 2006 en het herroepen van het primaire besluit in dit geval meebrengt dat zij voor vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling in aanmerking komt. Voor de wijze waarop het Uwv deze rente dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, gepubliceerd in JB 1995/314.

Appellante had verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten voor rechtsbijstand. De Raad stelt vast dat het Uwv reeds een vergoeding van deze kosten bij het besluit van 21 september 2006 heeft toegekend.

De Raad acht tot slot termen aanwezig het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

In de procedure 06/2113 WAO:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

In de procedure 06/5838 WAO:

Verklaart het beroep dat is gericht tegen het besluit van 21 september 2006 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op de klasse 15 tot 25%;

Herroept het primaire besluit van 2 maart 2005;

Stelt de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de WAO per 2 mei 2005 vast op 25 tot 35%, en bepaalt dat deze beslissing in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 21 september 2006;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente als in rubriek II is aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten appellante in deze procedure tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

TM