Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
13-12-2007
Zaaknummer
05-5326 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geschiktheid voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5326 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 juli 2005, 04/3071 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij schrijven van 26 maart 2007 nadere stukken in het geding gebracht.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 26 oktober 2007, waar partijen -met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.

In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht de aan appellante toegekende uitkering per 3 augustus 2003 heeft ingetrokken.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen door haar reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe relevante gezichtspunten zijn in hoger beroep niet naar voren gebracht.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.

In het voorgaande ligt besloten dat de Raad evenmin als de rechtbank aanleiding ziet om het verzoek om benoeming van een medische deskundige in te willigen.

Met betrekking tot de door het Uwv in hoger beroep bij schrijven van 26 maart 2007 ingebrachte nadere arbeidskundige stukken overweegt de Raad dat deze niet van beslissende betekenis zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de in geding zijnde besluitvorming. Het Uwv heeft naar het oordeel van de Raad reeds voorafgaand aan de procedure in hoger beroep afdoende gemotiveerd waarom de aan appellante voorgehouden functies door haar met de ten aanzien van haar vastgestelde medische beperkingen kunnen worden vervuld.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2007.

(get.) R.C. Stam.

(get.) M. Gunter.

MH