Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BC0019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
06/6100 WWB, 06/6115 WWB, 07/944 WWB, 07/958 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Medeterugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6100 WWB

06/6115 WWB

07/944 WWB

07/958 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante] en

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 september 2006, 05/3590 en 05/3591 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. A.S. Bakker, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en voorts aan de Raad twee op 26 september 2006 genomen besluiten toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Jong en mr. Bakker. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 1 februari 1972 tot 1 februari 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Op 21 april 1992 heeft appellante het College bericht dat appellant vanaf 16 april 1992 als kostganger bij haar inwoont.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellanten samenwonen, beiden een auto rijden en zwart werken heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, is een huisbezoek afgelegd, zijn kentekengegevens bij de RDW opgevraagd, is informatie opgevraagd bij een assurantiekantoor en zijn appellanten verhoord.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 26 april 2005 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2005 te herzien (lees: in te trekken) op de grond dat appellanten hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. Tevens zijn de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2005 tot een bedrag van € 72.697,51 van appellanten teruggevorderd en zijn zij hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van dit bedrag.

Bij afzonderlijke besluiten van 11 oktober 2005 heeft het College de door appellanten tegen het besluit van 26 april 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, de beroepen tegen de besluiten van 11 oktober 2005 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en het College opgedragen om met inachtneming van de uitspraak nieuwe besluiten op de bezwaren van appellanten te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het College zich op grond van de onderzoeksgegevens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de situatie waarin appellanten zich bevinden (thans) uitstijgt boven hetgeen in een zuiver commerciële kostgangersrelatie gebruikelijk is, maar bieden deze gegevens een ontoereikende grondslag voor het standpunt dat hiervan reeds vanaf 1 juli 1997 sprake is. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat een groot deel van de gegevens die hebben geleid tot de conclusie dat sprake is van een gezamenlijke huishouding niet uit het naar aanleiding van de anonieme tip gestarte onderzoek naar voren zijn gekomen, maar uit eerder verrichte (her)onderzoeken bij het College bekend waren. De uit het recente onderzoek naar voren gekomen gegevens zijn niet van dusdanige aard dat kan worden gesteld dat reeds vanaf 1 juli 1997 sprake is van een meer dan commerciële kostgangersrelatie. De bijstand kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet over de gehele in geding zijnde periode worden ingetrokken zodat daarmee tevens de grondslag aan de terugvordering en de medeterugvordering komt te ontvallen.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank heeft overwogen dat de situatie waarin appellanten zich bevinden (thans) uitstijgt boven hetgeen in een zuiver commerciële relatie gebruikelijk is. Volgens appellanten is geen sprake van een gezamenlijke huishouding.

Het College heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 26 september 2006 twee nieuwe besluiten op bezwaar genomen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, bij de beantwoording van de vraag of appellanten een gezamenlijke huishouding voeren niet maatgevend is of het College zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie waarin appellanten zich bevinden uitstijgt boven hetgeen in een zuiver commerciële kostgangersrelatie gebruikelijk is. Het College heeft in dezen immers geen beoordelingsvrijheid, zodat de bestuursrechter zich ten volle een eigen oordeel dient te vormen omtrent de vaststelling en vervolgens de waardering van de feiten.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van (achtereenvolgens) de Abw en de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van deze artikelen is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De Raad is op grond van de gedingstukken van oordeel dat appellanten ten tijde van belang hun hoofdverblijf in de woning van appellante hadden. De gestelde omstandigheid dat appellant elk jaar gedurende een half jaar in zijn caravan op de camping verblijft doet hier niet aan af nu, gelet op het feit dat appellant telkens naar de woning van appellante terugkeert, niet gezegd kan worden dat hij met het verblijf op de camping zijn hoofdverblijf in de woning van appellante heeft prijsgegeven.

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. Daarbij heeft de Raad onder meer in aanmerking genomen dat blijkens de door appellante afgelegde verklaring verschillende meubelstukken van appellant in haar woonkamer staan. Voorts heeft appellante verklaard dat appellant de auto, die op naam van appellante staat, voor haar heeft gekocht en dat hij de onderhoudskosten van deze auto betaalt. Verder is uit het onderzoek naar voren gekomen dat appellanten ieder een levensverzekering hebben afgesloten waarbij zij elkaar als begunstigde hebben aangewezen. Gelet op het voorgaande alsmede op het feit dat geen kostgangersovereenkomst is opgemaakt of betalingsbewijzen zijn overgelegd, is de Raad van oordeel dat geen sprake is van een louter zakelijke kostgangersrelatie, maar van een relatie die de grenzen overschrijdt van hetgeen in een zakelijke relatie gebruikelijk is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

Vervolgens staat ter beoordeling of het College met de besluiten van 26 september 2006 op juiste wijze uitvoering aan de aangevallen uitspraak heeft gegeven.

Het besluit van 26 september 2006, gericht aan appellante

Gelet op het bepaalde in artikel 6:24, eerste lid, in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het hoger beroep van appellante geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 26 september 2006. In dit besluit heeft het College met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand van appellante met ingang van 9 april 2001 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 9 april 2001 tot en met 31 januari 2005 tot een bedrag van € 40.172,96 met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellante teruggevorderd.

Uit het onderzoek dat naar aanleiding van de anonieme tip is ingesteld is naar voren gekomen dat de aansprakelijkheidsverzekering van appellant, die een verzekering voor een alleenstaande was, met ingang van 9 april 2001 is gewijzigd in een aansprakelijkheidsverzekering voor samenwonenden. De verklaring van appellant ter zitting dat hij hiertoe geen opdracht heeft gegeven, maar dat de verzekeringsmaatschappij deze wijziging uit eigen beweging heeft aangebracht acht de Raad niet geloofwaardig. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen het tijdstip van deze verklaring, het feit dat deze wijziging eerst in 2004 ongedaan is gemaakt en dat dit niet met terugwerkende kracht is gebeurd. Voor ongedaanmaking met terugwerkende kracht (en restitutie van teveel betaalde premie) zou alle aanleiding bestaan indien de wijziging berustte op een fout van de verzekeringsmaatschappij. Gezien het voorgaande alsmede de overige in deze uitspraak vermelde onderzoeksgegevens is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante over de periode van 9 april 2001 tot en met 31 januari 2005 een gezamenlijke huishouding met appellant heeft gevoerd als hiervoor bedoeld. Hieruit vloeit voort dat appellante gedurende die periode voor de toepassing van de Abw en de WWB als gehuwde moest worden aangemerkt en dat zij niet langer als zelfstandig subject recht had op bijstand.

Door van deze gezamenlijke huishouding geen melding bij het College te maken heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Ten gevolge van deze schending is aan appellante ten onrechte bijstand verleend, zodat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de bijstand met ingang van 9 april 2001 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 april 2001 tot en met 31 januari 2005 over te gaan.

De Raad stelt voorts vast dat het College heeft beslist overeenkomstig zijn, niet onredelijk te achten, beleid ter zake van terugvordering. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

Nu het beroep van appellante tegen het besluit van 26 september 2006 ongegrond zal worden verklaard, is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellante dient daarom te worden afgewezen.

Het besluit van 26 september 2006, gericht aan appellant

Gelet op het bepaalde in artikel 6:24, eerste lid, in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het hoger beroep van appellant geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 26 september 2006. In dit besluit heeft het College de kosten van bijstand over de periode van 9 april 2001 tot en met 31 januari 2005 ten bedrage van € 40.172,96 met toepassing van artikel 59 van de WWB mede van appellant teruggevorderd.

De Raad dient te beoordelen of ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van 59, tweede lid, van de WWB. Daarin is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende zijn inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van degene met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat hij in de hier van belang zijnde periode met appellant een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van (achtereenvolgens) de Abw en de WWB heeft gevoerd.

Onder verwijzing naar zijn eerdere overwegingen in deze uitspraak is de Raad van oordeel dat appellant de persoon is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de WWB. Nu voorts is gebleken dat de verlening van bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden - niettemin - achterwege is gebleven omdat appellante achtereenvolgens de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden is over de periode van 9 april 2001 tot en met 31 januari 2005 voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was dan ook bevoegd de over die periode gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.

Hetgeen de Raad hiervoor met betrekking tot de terugvordering van appellante heeft overwogen omtrent de gebruikmaking van de bevoegdheid tot terugvordering met toepassing van het door het College gevoerde beleid, geldt evenzeer voor de onderhavige medeterugvordering.

Het beroep van appellant tegen het besluit van 26 september 2006 zal derhalve ongegrond worden verklaard.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 26 september 2006 ongegrond;

Wijst het verzoek van appellante om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ