Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
11-12-2007
Zaaknummer
06-6309 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is aanvraag om algemene bijstand terecht afgewezen op de grond dat het door het College vastgestelde vermogen van appellant voldoende is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6309 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 september 2006, 05/1498 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2007. Appellant is verschenen. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit op bezwaar van 21 december 2004 heeft het College het besluit van 20 oktober 2004 gehandhaafd, waarbij de aanvraag van appellant om algemene bijstand is afgewezen op de grond dat het door het College vastgestelde vermogen van appellant voldoende is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Bij deze vermogensvaststelling is rekening gehouden met onder meer de schuldvordering van appellant op zijn ouders van € 18.151,20 en de afkoopwaarde van de door appellant afgesloten levensverzekering.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij uitspraak van 16 maart 2005 het door appellant tegen het besluit van 21 december 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het College de afkoopwaarde van de door appellant afgesloten levensverzekering terecht tot het vermogen van appellant gerekend. Het besluit van 21 december 2004 is niettemin vernietigd, omdat bij de vermogensvaststelling naar de toestand ten tijde van de aanvraag ten onrechte niet in aanmerking is genomen dat voor het opeisen van de schuldvordering van appellant op zijn ouders een opzegtermijn van twee maanden geldt en voorts omdat niet is onderzocht of deze schuldvordering (na opzegging) feitelijk inbaar is.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 16 maart 2005.

Ter uitvoering van de uitspraak van 16 maart 2005 heeft het College bij besluit van

23 juni 2005 appellant alsnog met ingang van 10 augustus 2004 voor een periode van twee maanden bijstand verstrekt, onder de voorwaarde dat de schuldvordering op zijn ouders door appellant binnen twee maanden na kennisneming van het besluit van 23 juni 2005 wordt opgeëist.

De voorzieningenrechter van de Raad heeft bij uitspraak van 30 juni 2005 (LJN: AT4753) overwogen dat de voorzieningenrechter van de rechtbank in de uitspraak van

16 maart 2005 terecht tot het oordeel is gekomen dat bij de vaststelling van het vermogen van appellant de afkoopwaarde van de door hem afgesloten levensverzekering moet worden betrokken en voorts dat van appellant in redelijkheid gevergd kan worden dat hij tot opeising van de schuldvordering op zijn ouders overgaat. De voorzieningenrechter van de Raad heeft niettemin het beroep tegen het besluit van 23 juni 2005 gegrond verklaard, en dat besluit vernietigd op de grond dat het College verzuimd heeft daarin de op appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm en de hoogte van de toeslag te bepalen en het bij de aanvangsdatum van de bijstand (opnieuw) vastgestelde aanwezige vermogen van appellant te vermelden. Tevens heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het College in het besluit van 23 juni 2005 onvoldoende heeft gemotiveerd op welke grondslag de beperking van het toegekende recht op bijstand - tot twee maanden na

10 augustus 2004 - berust. De voorzieningenrechter heeft het College opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Ter uitvoering van de uitspraak van 30 juni 2005 en met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen heeft het College het besluit van 3 augustus 2005, zoals gewijzigd bij besluit van 2 november 2005, genomen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat het College een juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 30 juni 2005.

De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

De Raad komt niet toe aan de beoordeling van de door appellant aangevoerde grieven die de reikwijdte van dit oordeel te buiten gaan en die zich in wezen richten tegen de uitspraken van 16 maart 2005 en 30 juni 2005.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) S.R. Bagga.

IJ041207