Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9737

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
06/6512 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alsnog toekenning volledige WAO-uitkering. Schending redelijke termijn. Toekenning schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6512 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2006, 05/2926 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv een vraag van de Raad beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2007. Namens appellante is verschenen mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van Buren.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellante is met ingang van 3 april 1976 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in het kader van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (wet TBA) is de uitkering bij besluit van 7 augustus 2002 met ingang van 14 februari 2003 ingetrokken. Bij brief van 30 augustus 2002 is namens appellante bezwaar ingesteld tegen dit besluit, welk bezwaar bij besluit van 28 april 2003 ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 februari 2005 het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard. Bij brieven van 22 februari 2005, 30 maart 2005 en 25 mei 2005 is namens appellante aan het Uwv verzocht om uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank. Bij brief van 17 juni 2005 is namens appellante beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 30 augustus 2002. Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en is appellantes uitkering per 14 februari 2003 ongewijzigd voortgezet. Bij brief van 16 september 2005 is namens appellante onder andere gevorderd om het Uwv te veroordelen tot betaling van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft partijen bij brief van

15 november 2005 laten weten dat het besluit van 9 augustus 2005 is aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het beroep van appellante wordt geacht (mede) tegen dit besluit te zijn gericht. In verweer heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat van een overschrijding van de redelijke termijn in casu geen sprake is.

De rechtbank heeft het beroep van 17 juni 2005 tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 augustus 2002 niet-ontvankelijk verklaard. Er is een proceskostenvergoeding toegekend van € 80,50. Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 9 augustus 2005 heeft de rechtbank vooropgesteld dat dit beroep beperkt is tot de vordering van appellante om het Uwv te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154 (EVRM). Dienaangaande heeft de rechtbank vastgesteld dat tot de aangevallen uitspraak de procedure ruim 4 jaar heeft geduurd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onredelijk lang. Van die termijn is volgens de rechtbank 14 maanden toe te schrijven aan het Uwv. De rechtbank overweegt vervolgens dat, wat er ook zij van de gestelde schending van de redelijke termijn door het Uwv, door appellante onvoldoende is gesteld omtrent het bestaan en de hoogte van de door haar gestelde immateriële schade en deze evenmin voldoende is onderbouwd. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen en het beroep tegen het besluit van 9 augustus 2005 wordt ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank vernietigd dient te worden nu de rechtbank ten onrechte de vordering tot vergoeding van immateriële schade, wegens overschrijding door het Uwv van de redelijke termijn, heeft afgewezen. Aangegeven wordt dat de bestuurlijke besluitvorming door het Uwv onredelijk lang heeft geduurd. Opgemerkt wordt verder dat uit de jurisprudentie blijkt dat daadwerkelijke spanning en frustratie als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn, en derhalve immateriële schade, wordt voorondersteld. Verwezen wordt onder meer naar de uitspraak van de Raad van 22 september 2006 (LJN:8871). Verder wordt een aanvullende vergoeding van proceskosten en griffierecht in twee instanties gevorderd.

Namens het Uwv is in hoger beroep herhaald dat er in casu geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Door het Uwv is erop gewezen dat het hier gaat om een buitenland-situatie, waardoor in het algemeen gesproken een procedure extra tijd in beslag neemt.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat op het moment dat de Raad uitspraak doet de procedure ruim vijf jaar heeft geduurd. Daarmee is naar het oordeel van de Raad de redelijke termijn overschreden. Tussen partijen is niet in geschil dat het aan het Uwv toe te rekenen deel van de procedure 14 maanden bedraagt. Mede in het licht van de wettelijke beslistermijn is daarmee naar het oordeel van de Raad ruimschoots de als redelijk te achten termijn voor de bestuurlijke besluitvorming overschreden. Dat het in casu gaat om een buitenland-situatie maakt dit niet anders.

In zijn uitspraak van 22 september 2006 heeft de Raad geoordeeld dat in het geval van schending van de redelijke termijn daadwerkelijke spanning en frustratie wordt voorondersteld. Slechts waneer het bestuursorgaan concrete omstandigheden aandraagt die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en frustratie, of wanneer de rechter zelf dergelijke omstandigheden onderkent, zal de rechter op dit punt onderzoek moeten verrichten. In het onderhavige geval zijn omstandigheden als hiervoor bedoeld door het Uwv niet aangevoerd, terwijl de Raad ook zelf dergelijke omstandigheden niet aanwezig acht. De Raad concludeert dat de afwijzing door de rechtbank van de vordering van appellante in rechte geen stand kan houden. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen dan ook, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking. De Raad stelt de aan appellante toekomende schadevergoeding vast op € 500,--.

Nu de uitkering ingevolge de WAO in het bestreden besluit met recht is vastgesteld op 80 tot 100%, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit instandblijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit instandblijven;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade van € 500,--;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,-- betaalt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.C. Palmboom.

IJ281107