Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
06-6131 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is WW-uitkering terecht bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door ontslag te nemen zonder dat dit noodzakelijk was?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6131 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 september 2006, 06/2362 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 17 oktober 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Ook appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Op verzoek van appellant zijn ter zitting verschenen en als getuige gehoord [getuige 1], en [getuige 2].

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Appellant was vanaf 3 december 1998, laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, fulltime als taxichauffeur werkzaam bij Duizendtax BV (hierna: de werkgever). Op 7 oktober 2005 heeft appellant bij de kantonrechter een verzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werkgever onder toekenning van een vergoeding. De werkgever heeft verweer gevoerd en in reconventie eveneens om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Ter zitting van de kantonrechter heeft appellant zijn verzoek om ontbinding ingetrokken, waarna de kantonrechter bij beschikking van 13 december 2005 conform het verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst met ingang van 17 december 2005 heeft ontbonden zonder aan appellant een ontbindingsvergoeding toe te kennen. In dat verband heeft de kantonrechter overwogen dat niet is komen vast te staan dat de werkgever een zodanig ernstig verwijt treft dat hierdoor een vergoeding bij gelegenheid van een door appellant zelf gewenste ontbinding wordt gerechtvaardigd.

2.3. Op 17 december 2005 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Deze uitkering is bij besluit van 6 januari 2006 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door ontslag te nemen zonder dat dit noodzakelijk was. Dit besluit is na bezwaar bij besluit van 12 april 2006 (hierna: het bestreden besluit) gehandhaafd onder wijziging van de daaraan ten grondslag liggende motivering. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellant door eigen toedoen passende arbeid niet heeft behouden door aan te sturen op een beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst terwijl dit niet noodzakelijk was. Deze overtreding kan appellant volgens het Uwv in overwegende mate worden verweten.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv appellant op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW in verbinding met artikel 27, eerste lid, van de WW, terecht de WW-uitkering blijvend geheel heeft geweigerd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant zelf het initiatief heeft genomen tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Volgens de rechtbank blijkt niet dat de verstoorde arbeidsrelatie in overwegende mate aan de werkgever is te wijten en is met name niet gebleken dat de houding van de werkgever ten opzichte van appellant dermate ernstig verwijtbaar was, dat appellant niets anders restte dan een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen. De rechtbank volgt het Uwv tevens in zijn standpunt dat appellant alvorens een dergelijk verzoek in te dienen had kunnen uitzien naar een andere dienstbetrekking.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij van 20 april 2004 tot en met

23 augustus 2005 al het mogelijke heeft gedaan om tot een oplossing te komen voor de met de werkgever ontstane problemen. De incidenten tijdens het werk hebben er zijns inziens toe geleid dat zijn gezondheid ernstig in gevaar kwam. Uiteindelijk was er volgens appellant geen andere mogelijkheid meer dan op uitdrukkelijk advies van zijn behandelende artsen te stoppen bij deze werkgever.

5.1. De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend op grond van het navolgende.

5.2. De Raad stelt vast dat de arbeidsverhouding tussen appellant en de werkgever gaandeweg is verslechterd. Dit hing vooral samen met een verschil van mening over de vraag of de werkgever bij de toedeling van taxiritten en taxi’s in voldoende mate rekening hield met de omstandigheid dat door de bedrijfsarts in oktober 2004 bij appellant als gevolg van zijn diabetes mellitus medische beperkingen zijn vastgesteld bij het verrichten van zijn werkzaamheden. Mede gelet op het deskundigenoordeel van 3 november 2004 van het Uwv over de re-integratie-inspanningen van de werkgever acht de Raad het niet onaannemelijk dat de werkgever zich in dit opzicht tegenover appellant niet steeds als een goed werkgever heeft gedragen en dat dit heeft geleid tot klachten bij appellant. Voorts kan worden aangenomen dat de werkgever niet wenste mee te werken aan het advies van de bedrijfsarts om een mediator in te schakelen. De Raad ziet echter evenals de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat appellant na zijn ziekmelding op 23 augustus 2005 geen andere mogelijkheid restte dan aan te sturen op beëindiging van zijn dienstver-band door het indienen van een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welk verzoek uiteindelijk heeft geleid tot ontbinding op verzoek van de werkgever. In het bijzonder bieden de beschikbare medische gegevens, waaronder de bevindingen van de behandelend artsen van appellant, naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat aan de voortzetting van het dienstverband voor appellant zodanige medische bezwaren waren verbonden dat die voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Van een duidelijk advies van de behandelende artsen om zonder meer ontslag te nemen is de Raad, tot slot, evenmin gebleken.

5.3. De Raad ziet evenmin als de rechtbank grond voor het oordeel dat het niet nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig. Dat betekent dat de reis- en verletkosten van de op verzoek van appellant verschenen getuige(n) voor zijn rekening komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.G.M. van Rijnberk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

19/10 BdH