Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9708

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
06-2010 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering. Geschiktheid voor het eigen werk en voor diverse andere geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2010 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 februari 2006, 04/509 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2007. Namens appellant is zijn levenspartner H.C.P. Jepma verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft het Uwv in mei 2003 verzocht om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Hij heeft daarbij aangegeven dat hij omstreeks september 2002 gedeeltelijk is uitgevallen voor zijn werk als zelfstandige op het gebied van financiële dienstverlening (voor veertig tot vijftig uur per week) met pijn- en vermoeidheidsklachten als gevolg van cervicale dystonie (oncontroleerbare spierspanning in de nek).

Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft het Uwv geweigerd die uitkering toe te kennen. Het besluit rust op de overweging dat appellant, gelet op de uitkomst van het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, op en na 31 augustus 2003 geschikt is voor het verrichten van zijn eigen werk gedurende een volledige werkweek, waardoor er geen arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAZ is. Tevens is appellant geschikt geacht voor diverse andere functies (arbeidsdeskundige, statistisch analist en medewerker polisbeheer), waarbij het verlies aan verdiencapaciteit is berekend op minder dan 25%.

Bij besluit van 21 januari 2004 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van

6 augustus 2003 ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts zich kan verenigen met de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Deze houdt in dat appellant beperkt is ten aanzien van reiken, tillen of dragen, bewegen van het hoofd en lopen en voorts dat het noodzakelijk is dat in het werk voldoende afwisseling van houding en activiteiten plaatsvindt. Indien daarmee rekening wordt gehouden is volgens beide verzekeringsartsen geen urenbeperking aangewezen.

De rechtbank heeft in het door appellant tegen het besluit van 21 januari 2004 ingestelde beroep aanleiding gevonden om een deskundige te raadplegen. Daarop heeft de neuroloog H.B.M. van Lieshout appellant onderzocht. Hij heeft tevens inlichtingen over diens aandoening ingewonnen bij de behandelend neurologen L.R. Canta en A.J. Vermeij. In zijn daarover aan de rechtbank uitgebrachte rapport van 10 juni 2005 heeft hij vermeld dat hij kan instemmen met de door de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, zoals deze naderhand is onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts. Hij heeft geconcludeerd dat appellant op en na 31 augustus 2003, gelet op zijn functionele beperkingen, in staat moest worden geacht zijn eigen werkzaamheden, zoals deze zijn beschreven door de arbeidsdeskundige, te verrichten, alsook de door de arbeidsdeskundige genoemde theoretische functies. De rechtbank heeft, nadat partijen nog op het rapport hadden gereageerd, de conclusies van Van Lieshout gevolgd en het beroep tegen het besluit van 21 januari 2004 ongegrond verklaard.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant uitsluitend is gericht tegen het onderdeel van de aangevallen uitspraak dat betrekking heeft op het hiervoor vermelde besluit van 21 januari 2004. Appellant is de opvatting toegedaan dat hij, gelet op zijn klachten, op en na de genoemde datum hooguit halve dagen in staat was de in aanmerking genomen werkzaamheden te verrichten. Verder heeft hij aangevoerd dat er elke drie maanden een periode is waarin de behandeling met Botox die hij krijgt is uitgewerkt en hij in het geheel niet kan werken. Ook heeft hij er op gewezen dat hij, anders dan waarvan de deskundige en de rechtbank zijn uitgegaan, niet gedurende twee uren kan autorijden. Hierdoor kan hij niet meer, zoals vroeger, klanten bezoeken en werven en is zijn omzet aanzienlijk gedaald.

De Raad overweegt het volgende.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het in de onderhavige situatie is aangewezen van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

Daartoe neemt de Raad in overweging dat het door de deskundige Van Lieshout verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest en dat de uitkomst daarvan ook niet haaks staat op de informatie die de behandelend neuroloog Canta had verstrekt. Appellant heeft erop gewezen dat het lichamelijke onderzoek door Van Lieshout heeft plaatsgevonden op een dag waarop de behandeling die hij eens per drie maanden ter verlichting van zijn klachten krijgt optimaal werkte, waardoor Van Lieshout geen juist beeld heeft gekregen. De Raad stelt evenwel vast dat Van Lieshout, na kennisname van de reactie van appellant gemotiveerd bij zijn eerdere conclusies is gebleven.

Appellant heeft in hoger beroep voorts nog een nadere verklaring van de neuroloog Canta van 8 oktober 2007 toegezonden, waarin deze aangeeft dat het probleem van de onderhavige aandoening is dat de klachten vooral subjectief zijn: wel reëel, maar niet goed te meten, waardoor hij geen enkele uitspraak kan doen over de arbeidsgeschiktheid van appellant. Ook in dit verband oordeelt de Raad dat uit het rapport van Van Lieshout volgt dat hij de aandoening van appellant serieus heeft genomen. Zo merkt deze deskundige op dat de aandoening een geforceerde hoofdhouding met zich brengt.

Naar zijn oordeel zijn er echter geen activiteiten die appellant niet kan uitvoeren, waarbij hij de kanttekening maakt dat bepaalde (dagelijkse) activiteiten, zoals autorijden en huishoudelijk activiteiten, aanleiding kunnen geven tot pijn in de halswervelkolom en een geforceerde hoofdhouding, waardoor het werk niet fysiek zwaar mag zijn en in het werk voldoende afwisseling van houding mogelijk moet zijn.

Gelet op het voorgaande, dient de Raad ervan uit te gaan dat de beperkingen en de arbeidsmogelijkheden van appellant door het Uwv niet onjuist zijn gewaardeerd. Verder is de Raad niet gebleken dat de arbeidsdeskundige geen goed beeld van het eigen werk van appellant voor ogen heeft gehad. Nu hij de geschiktheid van appellant voor zijn eigen werk (alsook voor de overige in aanmerking genomen functies) heeft beoordeeld op basis van die beperkingen en mogelijkheden, is er geen reden om zijn standpunt omtrent de geschiktheid niet te volgen.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL