Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
07-2321 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kosten in eerste aanleg: Tegen kostenveroordeling in beroep is geen hoger beroep ingesteld. Schadevergoeding (rente) en proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2321 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 maart 2007, 06/1179 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met een afschrift van de nieuwe beslissing op bezwaar van 18 juni 2007 bijgevoegd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 april 2005 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de aan haar toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO), berekend naar een mate van 80 tot 100%, per 12 juni 2005 wordt ingetrokken.

Het door appellante daartegen ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 30 maart 2006, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 16 maart 2007 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar af te geven.

Mr. Delescen, voornoemd, is namens appellante van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep richtte zich tegen overweging van de rechtbank dat de medische beperkingen van appellante op juiste wijze zijn vastgesteld.

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv op 18 juni 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar afgegeven waarbij het bezwaar tegen het besluit van 11 april 2005 alsnog gegrond is verklaard. Ten gevolge hiervan wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante met ingang van 12 juni 2005 onveranderd vastgesteld op 80 tot 100.

Bij faxbericht van 5 juli 2007 heeft mr. H.J.A. Aerts, collega van mr. Delescen, in reactie op bovenstaande de Raad meegedeeld dat appellante zich kan vinden in de nieuwe beslissing op bezwaar en dat er harerzijds geen bezwaren bestaan ten aanzien van de gewijzigde beslissing. Voorts heeft mr. Aerts de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten, welke kosten bij brief van 24 juli 2007 nader zijn gespecificeerd, alsmede het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente welke verschuldigd is over de te laat uitbetaalde WAO-uitkering.

De Raad stelt vast dat met de nieuwe beslissing op bezwaar van 18 juni 2007 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoet gekomen.

Uit ’s Raads uitspraak van 4 februari 1997, LJN: ZB6628, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Nu namens appellante een dergelijk verzoek is gedaan heeft zij, ofschoon het besluit van 30 maart 2006 is ingetrokken en inmiddels volledig is tegemoetgekomen aan haar hoger beroep, belang behouden bij handhaving van het hoger beroep.

Ingevolge ’s Raads jurisprudentie dient het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante toekomende vergoeding van de schade, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, dient te berekenen volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

Mr. Aerts, voornoemd, heeft in het kostenoverzicht van 24 juli 2007 diverse in eerste aanleg gemaakte kosten vermeld, die in hoger beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen. De Raad merkt hierbij op dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds heeft beslist ten aanzien van de proceskosten in verband met de procedure in eerste aanleg. Appellant heeft tegen deze kostenveroordeling geen hoger beroep ingesteld, zodat hier slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan.

Het Uwv heeft niet betwist dat op de hiervoor weergegeven wijze aan appellante is tegemoetgekomen. De Raad ziet hierin aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het gestorte recht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) S. Sweep.

JL