Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9695

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
06-1803 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering. Is gehele terugvordering in strijd met de rechtszekerheid?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/35
USZ 2008/38
JB 2008/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1803 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

C,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 februari 2006, 05/788 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 7 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 26 oktober 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door N.H. van Haaften, werkzaam bij Fiscount te Zwolle.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene ontvangt sinds 21 september 1994 een uitkering op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW), per 1 januari 1998 omgezet in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daarnaast was hij werkzaam als zelfstandig fysiotherapeut. Nadat betrokkene in oktober 2002 op een informatieformulier had aangegeven dat hij nog steeds gedeeltelijk als fysiotherapeut werkzaam is, en maandelijks een wisselend inkomen verdient, heeft appellant betrokkene verzocht zijn inkomensgegevens over de jaren 1995 tot en met 2001 te verstrekken.

Naar de mening van de arbeidsdeskundige R. Graansma dient de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vanaf 1 januari 1995, gelet op het deel van de winst uit de betreffende fysiotherapeuten maatschap dat hem toekomt, op minder dan 25% te worden gesteld. Dit oordeel heeft geleid tot twee besluiten van 3 september 2004 en een besluit van 14 oktober 2004, inhoudende dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van betrokkene vanaf 1 januari 1995 onder toepassing van artikel 33 van de AAW c.q. 58 van de WAZ niet wordt uitbetaald, dat zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering per

1 januari 1998 wordt ingetrokken, en voorts dat hetgeen hij over de periode van

1 januari 1995 tot 1 januari 2004 aan AAW- en WAZ-uitkering heeft ontvangen, als zijnde onverschuldigd betaald van hem wordt teruggevorderd. Het gaat om een bedrag van € 23.619,29.

De bezwaren van betrokkene tegen deze besluiten zijn door de bezwaararbeidsdeskundige J. Langius beoordeeld. Zoals blijkt uit zijn rapport van 15 maart 2005, is de bezwaararbeidsdeskundige van oordeel dat voor de vaststelling van het maatmaninkomen van betrokkene moet worden uitgegaan van het aan hem toekomende deel van de winst over het jaar 1992. Na het aftrekken en bijtellen van een aantal posten, leidt dat tot een nadere vaststelling van het maatmaninkomen per einde wachttijd. Langius heeft vervolgens de aan betrokkene toekomende fiscale winst over de jaren 1995 tot en met 1998 genomen, en dit afgezet tegen het geïndexeerde maatmanloon, wat leidt tot een ongewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene in 1995, 35 tot 45% in 1996 en minder dan 25% vanaf 1 januari 1997.

Bij besluit van 7 april 2005 (het bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene gedeeltelijk gegrond verklaard, de beide besluiten van 3 september 2004 herroepen en de door betrokkene gemaakte kosten in bezwaar vergoed, ten bedrage van

€ 322,-. In de lijn van de beoordeling door de bezwaararbeidsdeskundige Langius, worden de inkomsten van betrokkene over de jaren 1996 tot en met 1998 op de uitbetaling van zijn uitkering in mindering gebracht, en wordt zijn WAZ-uitkering met ingang van 1 januari 1999 ingetrokken.

De heroverweging door appellant van de terugvorderingsbeslissing heeft geleid tot de conclusie dat de bedragen die voor 1 augustus 1996 aan betrokkene als AAW-uitkering zijn betaald, niet meer van hem kunnen worden teruggevorderd. Wel kan als zijnde onverschuldigd betaald van hem worden teruggevorderd, de als uitvloeisel van de kortings- en intrekkingsbeslissingen ten onrechte betaalde uitkering over de periode van

1 augustus 1996 tot 1 januari 2004. Dit betreft volgens appellant een bedrag van

€ 36.442,60, maar omdat betrokkene niet door het maken van bezwaar mag worden benadeeld, heeft appellant de terugvordering beperkt tot het bedrag van € 23.619,29.

Ook deze beslissing is neergelegd in het bestreden besluit op bezwaar van 7 april 2005.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van betrokkene tegen het besluit van

7 april 2005 gegrond verklaard, en is dat besluit vernietigd, onder veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene en met bepaling dat appellant aan betrokkene het betaalde griffierecht vergoedt. De vordering tot vergoeding van schade is door de rechtbank afgewezen. In de uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellant de winst uit onderneming van betrokkene terecht als inkomen heeft genomen bij de vaststelling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, en dat deze winst door appellant op de juiste wijze is vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank de beroepsgronden van betrokkene die hierop waren gericht, bijvoorbeeld met betrekking tot de zogenoemde FOR-dotaties, de kosten van arbeidsinzet van derden en het ontvangen ziekengeld, verworpen. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat appellant het maatmaninkomen van betrokkene in bezwaar op een lager bedrag heeft vastgesteld dan bij de primaire besluitvorming. Daarmee is betrokkene naar de mening van de rechtbank in een nadeliger positie komen te verkeren, nu het lagere maatmaninkomen in voor betrokkene negatieve zin van invloed kan zijn op zijn (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank acht dit in strijd met het verbod van reformatio in peius en ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij heeft de rechtbank tevens overwogen dat appellant op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt hoe het terugvorderingsbedrag is samengesteld.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat geen sprake is van schending van het verbod van reformatio in peius, omdat via de zogenoemde kortings- en intrekkingsbeslissingen in bezwaar ten gunste van betrokkene is teruggekomen op de primaire besluitvorming, en betrokkene bovendien in de bezwaarprocedure, alvorens te beslissen, in de gelegenheid is gesteld te reageren op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Langius, en ook van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Ook ten aanzien van de terugvordering is betrokkene niet benadeeld, omdat appellant het juiste hogere onverschuldigd betaalde bedrag niet van hem terugvordert, maar heeft gehandhaafd het bedrag dat bij het primaire besluit van 14 oktober 2004 is teruggevorderd. Onder verwijzing naar een aantal concreet aangegeven gedingstukken, heeft appellant voorts aangevoerd dat het terugvorderingsbedrag wel adequaat is gespecificeerd.

Betrokkene heeft bij wijze van verweer in hoger beroep alleen aangevoerd, dat hij de argumenten uit de beroepsprocedure als herhaald en ingelast beschouwt. Naast zijn gronden met betrekking tot de berekening van het maatmanloon, de reformatio in peius en de berekening van het terugvorderingsbedrag, hebben die in eerste aanleg aangevoerde grieven betrekking op de berekening van de hoogte van zijn verdiensten als fysiotherapeut vanaf 1995. Betrokkene acht bovendien de weigering en intrekking met terugwerkende kracht van zijn uitkering en de terugvordering in strijd met het bij hem gewekte vertrouwen c.q. met de rechtszekerheid en is van mening dat appellant bij het bestreden besluit de vergoeding van de kosten van verleende rechtsbijstand in bezwaar te laag heeft vastgesteld.

De Raad overweegt als volgt.

Alleen appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat de grieven van betrokkene tegen de aangevallen uitspraak, anders dan bij wijze van verweer aangevoerd tegen de door appellant opgeworpen grieven, in hoger beroep niet aan de orde kunnen komen. Dit is alleen anders indien de door betrokkene aangevoerde grieven zozeer verweven zijn met de door appellant aangevoerde grieven, dat de beoordeling van de grieven van betrokkene om die reden onontkoombaar is, dan wel indien geoordeeld zou moeten worden dat betrokkene geen belang had bij het instellen van hoger beroep. Gelet op de door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden aangaande de door appellant in aanmerking genomen feitelijke verdiensten van betrokkene vanaf 1 januari 1995 en gelet op de conclusie van de rechtbank hieromtrent, kan naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat betrokkene geen belang had bij het instellen van hoger beroep op dit punt. Evenmin is de Raad van oordeel dat de grieven van betrokkene met betrekking tot de door appellant in aanmerking genomen inkomsten, verweven zijn met de grieven die appellant heeft aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak.

Het vorenoverwogene houdt in dat de hoogte van de door appellant in aanmerking genomen feitelijke verdiensten van betrokkene vanaf 1 januari 1995 als tussen partijen vaststaand wordt aangenomen, en in dit geding niet meer ter beoordeling van de Raad staat.

Met appellant is de Raad van oordeel, dat bij de aangevallen uitspraak ten onrechte is geoordeeld dat hij bij het bestreden besluit van 7 april 2005 in strijd heeft gehandeld met het uit de artikelen 7:11 en 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgende beginsel, dat het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit er niet toe mag leiden dat de indiener via de heroverweging door het bestuur in een slechtere positie geraakt, dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn (het zogenoemde verbod van reformatio in peius). Nadat betrokkene gebruik had gemaakt van de gelegenheid om te reageren op het nieuwe rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Langius, heeft appellant bij het genoemde besluit de kortings- en weigeringsbeslissingen van

3 september 2004 herroepen en in voor betrokkene gunstige zin vervangen door nieuwe besluiten. Voorts heeft appellant het bedrag aan uitkering dat van betrokkene wordt teruggevorderd niet verhoogd, maar gehandhaafd op hetzelfde bedrag als is aangegeven in het primaire besluit van 14 oktober 2004. Reeds hierom is van strijd met het genoemde beginsel geen sprake. Dat appellant een element van de besluitvorming in bezwaar in voor de bezwaarde negatieve zin bijstelt (in dit geval het maatmaninkomen), leidt niet op zich tot een verboden benadeling; het gaat erom of het resultaat van die besluitvorming ook nadelig is, wat in dit geval niet zo is.

Betrokkene meent dat de voor hem gunstige nadere besluitvorming, omtrent de korting en intrekking van zijn uitkering en aangaande de termijn waarover onverschuldigd betaalde uitkering van hem wordt teruggevorderd, dient te leiden tot een verlaging van het bedrag dat van hem wordt teruggevorderd. Naar het oordeel van de Raad betreffen deze argumenten echter niet het voornoemde beginsel, maar dienen ze te worden opgevat als te zijn gericht op verlaging van het steeds op - € 23.619,29 bepaalde - terugvorderingsbedrag.

Appellant heeft in hoger beroep voorts aangevoerd dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte is overwogen dat hij op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt hoe het terugvorderingsbedrag van € 36.442,60 is samengesteld en bepaald. Ook deze grief slaagt. Uit de in het hoger beroepschrift genoemde gedingstukken blijkt naar het oordeel van de Raad voldoende welk bedrag aan uitkering betrokkene feitelijk per half jaar heeft ontvangen, op welk bedrag hij naar het oordeel van appellant gelet op de nadere besluitvorming recht heeft gehad, en welk bedrag hij daarom in de visie van appellant ten onrechte heeft ontvangen.

Dit brengt de Raad tot de conclusie dat de beide grieven van appellant slagen, en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

De Raad ziet voldoende aanleiding het besluit van 7 april 2005 zelf te beoordelen in het licht van wat door betrokkene in eerste aanleg daartegen is aangevoerd, en zal de zaak niet naar de rechtbank terugverwijzen. Daarbij geldt zoals eerder in deze uitspraak is overwogen, dat de hoogte van de door appellant in aanmerking genomen feitelijke verdiensten van betrokkene vanaf 1 januari 1995 als tussen partijen vaststaand wordt aangenomen.

Naar het oordeel van de Raad heeft appellant, zoals blijkt uit het genoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Langius, op juiste gronden het in aanmerking te nemen maatmaninkomen gebaseerd op de verdiensten van betrokkene in het jaar 1992. Uitgangspunt bij de berekening van het maatmaninkomen van een zelfstandige is, dat dit wordt gebaseerd op de door de fiscus aanvaarde nettowinst in de drie boekjaren voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. In dit geval is echter een door de Raad in zijn vaste jurisprudentie aanvaarde uitzondering op de hoofdregel van toepassing. Omdat betrokkene arbeidsongeschikt is geworden in het tweede jaar waarin hij als zelfstandig fysiotherapeut werkzaam was, diende het maatmaninkomen te worden gebaseerd op de winst uit het eerste gehele boekjaar, in casu 1992.

Vergelijking van de hoogte van dit (geïndexeerde) maatmaninkomen met de jaarlijkse verdiensten van betrokkene, leidt vervolgens vanaf 1 januari 1996 tot een lager verlies aan verdiencapaciteit dan evenredig is aan de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene in die jaren. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant vervolgens overeenkomstig de wettelijke bepalingen de AAW- en

WAZ-uitkering van betrokkene met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1996 terecht en op juiste wijze niet uitbetaald en vanaf 1 januari 1999 ingetrokken en hetgeen in verband hiermee vanaf 1 augustus 1996 onverschuldigd is betaald, van hem teruggevorderd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is een dergelijke beslissing, waarbij de uitkering met terugwerkende kracht niet wordt uitbetaald en ingetrokken, in het algemeen in strijd met de rechtszekerheid. Van een zodanige strijd met de rechtszekerheid is geen sprake wanneer betrokkene wist, althans redelijkerwijs had behoren te weten, dat hij ernstig rekening diende te houden met de mogelijkheid van een dergelijke herziening en/of intrekking. Betrokkene heeft aangevoerd, dat hij er steeds van is uitgegaan dat als hij de maximaal 20 uren die hij na zijn ziekmelding in september 1994 werkzaam bleef als fysiotherapeut niet zou uitbreiden, hij geen rekening behoefde te houden met verlaging of intrekking van zijn uitkering. Betrokkene ontleent dit vertrouwen aan het rapport d.d. 7 augustus 1995 van de arbeidsdeskundige B. de Wreede en het besluit van 23 augustus 1995, waarbij hem per 21 september 1994 een AAW-uitkering is toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Naar het oordeel van de Raad treft deze stelling van betrokkene geen doel. Bij toekenning van zijn AAW-uitkering is de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene inderdaad bepaald aan de hand van een vergelijking van het aantal uren dat hij nog werkzaam bleef met de 40 uren gedurende welke hij werkte voor zijn ziekmelding. Dit laat echter onverlet dat hij er rekening mee diende te blijven houden, wat inherent is aan het als zelfstandige werkzaam zijn, dat wijzigingen in zijn verdiensten reden zouden kunnen vormen voor het eerst achteraf verlagen of intrekken van zijn uitkering. Ook in dit geval ziet de Raad geen aanknopingspunten voor een ander oordeel, nu uit het betreffende rapport noch uit het genoemde besluit blijkt van enige toezegging, of van omstandigheden die betrokkene gerechtvaardigd als zodanig heeft mogen opvatten. Van betrokkene had mogen worden verwacht dat hij zijn hogere verdiensten aan appellant had opgegeven. Dit heeft hij echter niet gedaan, ook desgevraagd niet, nu hij bijvoorbeeld op een door hem ondertekend informatieformulier van 6 september 1998 wel heeft opgegeven dat hij werkzaam was, maar niets heeft ingevuld bij de vraag naar eventuele wijzigingen in zijn financiële situatie.

Hieruit vloeit voort dat de AAW- en nadien de WAZ-uitkering vanaf 1 januari 1996 (deels) onverschuldigd aan betrokkene is betaald. Appellant heeft hetgeen vanaf

1 augustus 1996 onverschuldigd is betaald berekend op € 36.442,60, maar daarvan

€ 23.619,29 teruggevorderd. Namens betrokkene zijn nog enkele vraagtekens gezet bij de uit de gedingstukken blijkende berekening van het eerstgenoemde bedrag. Daargelaten of deze argumenten slagen, hebben partijen beide ter zitting erkend, dat het slagen van deze gronden zeker niet zal leiden tot een lager bedrag dan het bedrag dat nu feitelijk is teruggevorderd. Dat appellant niet meer in staat is gebleken duidelijk te maken hoe het aanvankelijk van betrokkene teruggevorderde bedrag van € 23.619,29 is samengesteld, brengt evenmin met zich mee dat het terugvorderingsbesluit niet in stand kan blijven, nu voor de Raad het bedrag van € 36.442,60 genoegzaam uit de stukken blijkt. Dat aanvankelijk bij het primaire besluit van 14 oktober 2004, het terugvorderingsbedrag mogelijk te laag was vastgesteld, betekent niet dat appellant dat bedrag bij het bestreden besluit, nu is gebleken dat over een weliswaar kortere periode een hoger bedrag onverschuldigd is betaald, niet zou mogen handhaven.

Betrokkene heeft aangevoerd dat gehele terugvordering in strijd is met zijn rechtszekerheid, omdat door appellant niet tijdig genoeg is gereageerd vanaf het moment dat deze de beschikking had over de juiste inkomensgegevens. De Raad stelt vast dat appellant op grond van de wet verplicht was om hetgeen onverschuldigd aan betrokkene was betaald terug te vorderen. De in november 2002 door appellant ontvangen gegevens betreffende het inkomen van betrokkene hebben geleid tot de brief van 7 januari 2004, waarin aan betrokkene is kenbaar gemaakt dat de onverschuldigd betaalde uitkering zal worden teruggevorderd (de zogenoemde eerste terugvorderingshandeling), hetgeen naar het oordeel van de Raad niet een zodanig lange termijn betreft, dat het volledig terugvorderen van het onverschuldigd betaalde bedrag voor appellant geen rechtsplicht meer zou zijn.

Betrokkene heeft tot slot in beroep nog aangevoerd dat appellant bij het bestreden besluit op bezwaar de vergoeding van zijn kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase te laag heeft vastgesteld. Ook deze grond slaagt naar het oordeel van de Raad niet, nu er geen reden is om het gewicht van de zaak in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet als gemiddeld te duiden.

Al het vorenoverwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, waarbij de Raad het inleidend beroep ongegrond zal verklaren.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep tegen het besluit van 7 april 2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL