Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9692

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
07-573 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overname van betalingsverplichtingen werkgever: betalingsonmacht of betalingsonwil?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/573 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 december 2006, 06/1100 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 oktober 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J. Boter, verbonden aan Stichting Univé Rechtshulp te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Gerritsen, kantoorgenoot van J. Boter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A.M. Schalkwijk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant was vanaf 1 januari 2004 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als automonteur werkzaam bij Banden- en Onderdelencentrum Haaglanden CV (hierna: de werkgever). Op 12 januari 2005 heeft appellant zich telefonisch tot het Uwv gewend met het verzoek de betalingsverplichtingen van de werkgever over te nemen omdat deze zijn salaris vanaf december 2004 niet meer had betaald. De buitendienst-medewerker Kempeneers van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft na een gesprek met de werkgever aan appellant meegedeeld dat sprake is van betalingsonwil en niet van betalingsonmacht en dat een aanvraag om betalingsverplichtingen over te nemen zal worden afgewezen. Appellant heeft vervolgens ervan afgezien een aanvraag als bedoeld in Hoofdstuk IV van de WW in te dienen. Hij heeft wel een vordering tot betaling van achterstallig loon over de maanden vanaf januari 2004 bij de kantonrechter ingesteld tegen de werkgever. Het vonnis van de kantonrechter van 28 april 2005, waarbij appellants vordering is toegewezen, is echter niet geëxecuteerd omdat de werkgever op 29 mei 2005 in staat van faillissement is verklaard. Bij brief van 4 juli 2005 heeft de curator de arbeidsovereenkomst van appellant opgezegd tegen de vroegst mogelijke datum. Appellant is op 7 juli 2005 bij een andere werkgever in dienst getreden.

2.2. Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag heeft het Uwv bij besluit van 26 juli 2005 een aantal betalingsverplichtingen van de werkgever overgenomen, te weten loon over de periode van 31 maart 2005 tot en met 6 juli 2005 en vakantietoeslag en niet genoten vakantiedagen over de periode van 7 juli 2004 tot en met 6 juli 2005. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 23 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit gerichte beroep van appellant ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was het Uwv niet gehouden om in het kader van het bestreden besluit onderzoek te doen naar de vraag of de werkgever mogelijk al in december 2004 in een toestand was komen te verkeren dat hij heeft opgehouden te betalen. Voorts behoren de gevolgen van de keuze van appellant om in januari 2005 naast het instellen van een loonvordering bij de kantonrechter geen schriftelijk besluit van het Uwv te vragen over de beweerdelijk in december 2004 ontstane situatie naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico te blijven.

4. Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat de werkgever al eerder, te weten in januari 2005, in betalingsonmacht verkeerde en dat het Uwv hiernaar indertijd onvoldoende onderzoek heeft gedaan.

5.1. De Raad, oordelende over de aangevallen uitspraak, overweegt het volgende.

5.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad ligt het in beginsel op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat de werkgever al vóór de faillissementsdatum verkeerde in een blijvende toestand van opgehouden hebben te betalen. In het verlengde hiervan rust op het Uwv eerst de verplichting om aanvullend onderzoek te doen, indien de door appellant verstrekte gegevens in de richting wijzen van een eerder ingetreden betalingsonmacht.

5.3. De Raad stelt vast dat appellant in zijn bezwaarschrift ter onderbouwing van zijn stelling heeft gewezen op de omstandigheid dat hij in de periode vóór december 2004 niet zijn volledige salaris ontving en vanaf december 2004 in het geheel geen salaris meer heeft ontvangen. Hij heeft gesteld dat hij zich in verband hiermee al in december 2004 tot het Uwv heeft gewend. Daarbij heeft appellant gewezen op de contacten in januari 2005 met Kempeneers. Daarnaast heeft appellant erop gewezen dat hij, mede naar aanleiding van het gesprek met Kempeneers, zonder feitelijk resultaat heeft getracht zijn werkgever aan te spreken op betaling van het achterstallige loon en daartoe ook een kantongerechts-procedure is gestart. Uit een door appellant in het kader van het faillissement van de werkgever op 4 juli 2005 aan het Uwv verzonden e-mail kan voorts worden afgeleid dat de werkgever op 28 april 2005 zijn bedrijf met terugwerkende kracht tot 31 december 2004 heeft uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

5.4. Zoals blijkt uit de stukken heeft het Uwv in de bezwaarprocedure ermee volstaan telefonisch navraag te doen bij Kempeneers. Zij verklaarde dat er in januari 2005 geen sprake was van betalingsonmacht en dat zij niet meer beschikte over de onderzoeksgegevens. Voorts is telefonisch informatie ingewonnen bij de boekhouder van de werkgever, LTB adviseurs en accountants te Naaldwijk. Hieruit kwam naar voren dat bij brief van 25 januari 2005 bij het Uwv namens de werkgever melding is gedaan van betalingsonmacht inzake de premies werknemersverzekeringen over 2004 en 2005, en dat de werkgever ook de rekening van de boekhouder nooit heeft voldaan. Bij brief van 12 januari 2006 heeft appellant zijn bezwaarschrift desgevraagd nader toegelicht en daarbij onder meer de juistheid van de door Kempeneers gemaakte beoordeling bestreden. De Raad komt, gelet hierop, tot het oordeel dat, zo al niet reeds de door appellant aangedragen gegevens aanleiding hadden moeten zijn voor een nader onderzoek naar de financiële positie van de werkgever, het Uwv in ieder geval naar aanleiding van de in bezwaar verkregen, niet eenduidige informatie niet zonder een uitvoeriger onderzoek naar de datum van feitelijke betalingsonmacht op het bezwaar van appellant had mogen beslissen. De Raad merkt hierbij nog op dat bij dit nadere onderzoek niet van belang is dat appellant in januari 2005 geen aanvraag voor een Hoofdstuk IV-uitkering heeft gedaan. Tussen partijen staat immers vast dat namens het Uwv te kennen was gegeven dat een dergelijke aanvraag kansloos was. Het Uwv kan appellant, die vervolgens overeenkomstig die mededeling handelde, dan niet tegenwerpen dat hij de aanvraag ten onrechte op dat moment niet heeft gedaan.

5.5. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en bijgevolg niet van een deugdelijke motivering is voorzien. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het besluit op bezwaar wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. Het Uwv zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaar moeten beslissen. Daarbij zal het Uwv tevens het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten in bezwaar moeten betrekken.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, in totaal derhalve € 1.288,--, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 januari 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

19/10

BdH