Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
05-3234 ANW + 05-3248 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening van de ANW-uitkering met volledige terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3234 ANW

05/3248 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 april 2005, kenmerken 04/1162 en 04/2065 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 6 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C.H.M. van Beurden, advocaat te Waalwijk, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2007. Appellante werd vertegenwoordigd door mr. U Santi. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.A. Buskens.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder Svb tevens verstaan Sociale Verzekeringsbank.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 5 juli 1999 heeft de Svb met ingang van 1 februari 1999 een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan appellante toegekend. De hoogte van deze inkomensafhankelijke uitkering was voorlopig vastgesteld op f 1.132,78 (€ 514,03) bruto per maand en f 73,51 (€ 33,36) vakantiegeld. Bij de berekening van dit bedrag is de Svb op grond van het Inkomens- en samenloopbesluit ANW uitgegaan van een inkomen uit arbeid van appellante van

f 2.244,75 (€ 1.018,62) bruto per maand. In het toekenningsbesluit zijn de volgende zinsneden opgenomen: “De hoogte van deze uitkering is afhankelijk van uw inkomen” en “Wij zullen u volgend jaar benaderen in verband met het opvragen van de definitieve aanslag IB over het jaar 1999. Als dan blijkt dat wij u in het jaar 1999 een te laag bedrag hebben betaald, ontvangt u een nabetaling. Als blijkt dat u teveel hebt ontvangen, moet u het teveel betaalde terugbetalen”.

Bij besluit van 21 september 2001 is het inkomen van appellante over 1999 definitief vastgesteld op f 586,42 (€ 266,11) per maand en ontving zij een eenmalige nabetaling van f 5.200,77 (€ 2.360,01) netto. Bij brief van 2 juli 2002 heeft de Svb om informatie over de bedrijfsresultaten en het persoonlijke inkomen van appellante over 2002 verzocht teneinde het recht op een ANW-uitkering te kunnen vaststellen. In reactie hierop zijn de bedrijfsresultaten beschikbaar gesteld. De definitieve aanslag inkomstenbelasting 2000 was hier niet bijgevoegd. Bij brief van 10 september 2003 heeft de Svb de financiële bedrijfsgegevens over 2001 opgevraagd, alsmede de definitieve aanslag inkomstenbelasting over 2000 en 2001. De bedrijfsgegevens hebben aanleiding gegeven om het maandelijkse inkomen uit arbeid van appellante te herzien en op een hoger bedrag vast te stellen. Bij besluit van 31 oktober 2003 heeft de Svb om die reden over 2000 en 2001 de toegekende ANW-uitkering herzien en nader vastgesteld. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 26 april 2004 (hierna: het bestreden besluit I) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Bij brief van 27 april 2004 heeft de Svb appellante verzocht de financiële bedrijfsgegevens van 2002 en 2003 over te leggen, alsmede een kopie van de originele definitieve aanslag inkomstenbelasting over 2001, 2002 en 2003. Bij besluit van 14 juli 2004 is aan appellante medegedeeld dat haar ANW-uitkering over 2002 en 2003 nader is vastgesteld op de in dat besluit genoemde bedragen. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 30 september 2004 (hierna: het bestreden besluit II) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen beide bestreden besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet wist dat haar uitkering met terugwerkende kracht kon worden herzien. Ze stelt niet op de hoogte te zijn geweest van haar inkomen, doordat dit steeds achteraf werd vastgesteld, als resultaat van de bedrijfsgegevens waar zij evenmin zicht op had. De Svb heeft onnodig lang gewacht met het vaststellen en herzien van de uitkering, nu de gegevens waarop de uitkering gebaseerd werd, reeds lang bekend waren uit de voorlopige aanslag van de belastingdienst. Zij is van mening dat dit standpunt wordt ondersteund door het feit dat de Svb zijn werkwijze heeft veranderd en het herzieningsbesluit inmiddels steeds baseert op de voorlopige aanslag. Zij beroept zich op de aanwezigheid van een dringende reden om van herziening met volledig terugwerkende kracht af te zien.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de in het besluit van

31 oktober 2003 vastgestelde aanspraken van appellante op uitkering ingevolge de ANW over 2000 en 2001 en bij besluit van 14 juli 2004 vastgestelde aanspraken over 2002 en 2003 juist zijn berekend en dat de Svb aan appellante over die jaren te veel nabestaandenuitkering heeft betaald. Tussen partijen is in hoger beroep met name in geschil of de Svb met recht de uitkering van appellante met terugwerkende kracht tot en met 2000 heeft herzien.

Met betrekking tot de herziening van het recht op ANW-uitkering merkt de Raad op dat uit artikel 34, eerste lid, van de ANW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de ANW is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.

De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.

De Raad stelt enerzijds vast dat appellante haar verplichtingen terzake het verstrekken van inlichtingen in beginsel steeds is nagekomen. Anderzijds stelt de Raad ook vast dat in de door de Svb verzonden brieven en overzichten voldoende duidelijk stond omschreven dat de toegekende uitkering een voorwaardelijk karakter had en afhankelijk was van het inkomen van appellante. Zij had derhalve behoren te begrijpen dat op enig moment in de toekomst een definitieve vaststelling zou plaatsvinden, met het risico dat daaraan een terugbetalingsverplichting zou zijn verbonden. Op grond van het hiervoor weergegeven beleid heeft de Svb in beginsel terecht besloten niet af te zien van herziening met volledige terugwerkende kracht ten aanzien van besluit I en II.

Voorts wordt door de Svb als beleid gehanteerd dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht de Svb belang aan:

- de mate waarin aan appellante een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijks leven van appellante.

Ten aanzien van het bestreden besluit I ziet de Raad in de omstandigheden van appellante geen grond voor het oordeel dat sprake was van kennelijke onredelijkheid als hiervoor bedoeld dan wel van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de ANW, zodat de Svb niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van de herziening af te zien. Ten aanzien van het bestreden besluit II stelt de Raad vast dat uiterlijk begin juli 2002 bij de Svb bekend was dat het inkomen uit arbeid van appellante in 2000 en 2001 aanmerkelijk meer bedroeg dan in 1999. Dit had in de gegeven omstandigheden aanleiding behoren te zijn om de hoogte van de voorlopige uitkering van appellante voor de toekomst aan te passen, zoals dat ook was geschied in 1999. De Raad is van oordeel dat het feit dat de hoogte van de nabestaandenuitkering onverkort gebaseerd werd op een te laag inkomen uit arbeid, terwijl uit de voorlopige aanslag geconcludeerd kon worden dat dit inkomen aanmerkelijk hoger zou uitvallen, in ieder geval niet geheel voor rekening van appellante dient te komen. Derhalve moet aangenomen worden dat ook de Svb een verwijt treft als hiervoor bedoeld en dat appellante in verminderde mate een verwijt treft. Hierbij neemt de Raad mede in aanmerking dat de uitvoeringspraktijk van de Svb is gewijzigd in dier voege dat de ANW-uitkering inmiddels wordt vastgesteld op basis van de voorlopige belastingaanslag, waardoor wordt vermeden dat gedurende een te lange periode (onnodig) een te hoge uitkering plaatsvindt. Dit betekent dat de Svb naar het oordeel van de Raad ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan zijn beleid ten aanzien van artikel 3:4 van de Awb. De Svb dient derhalve een nieuwe beslissing hieromtrent te nemen. Daarbij wijst de Raad er nog op dat vooralsnog aannemelijk is te achten dat de thans uit het herzieningsbesluit voortvloeiende terugvordering van € 22.244,32 daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijks leven van appellante.

Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de Svb bij het bestreden besluit II ten onrechte heeft besloten tot een herziening van de ANW-uitkering met volledige terugwerkende kracht. De Svb zal met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante met betrekking tot bestreden besluit II. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond en vernietigt bestreden besluit II;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht ad

€ 37,-- in eerste aanleg en € 103,-- in hoger beroep dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op

6 december 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.C. Palmboom.

IJ291107