Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9600

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
04-7255 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Er blijven voldoende, voor appellant medisch geschikte, functies over om de onderhavige schatting op te baseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7255 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, van 24 november 2004, 03/3606 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij brieven van 25 maart 2005, met bijlage, en

17 april 2007, met bijlage, heeft appellant zich nogmaals tot de Raad gewend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brieven van 19 april 2007, met bijlagen, en 2 augustus 2007, met bijlagen, heeft het Uwv een aantal vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft zich op 30 december 1987 ziek gemeld voor zijn werk als bakker. Aan hem is een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sinds 1991 is appellant woonachtig in Marokko.

Bij besluit van 4 december 2002 is aan appellant medegedeeld dat zijn uitkering ingaande 15 mei 2003 werd verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit op bezwaar van 2 juli 2003 is het bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat per

15 mei 2003 de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35 tot 45%.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de medische onderzoeken voldoende en zorgvuldig zijn geweest. Zij zag dan ook geen redenen de vastgestelde beperkingen en het bestreden besluit voor onjuist te houden.

In hoger beroep keert appellant zich tegen deze uitspraak met als voornaamste grief dat zijn gezondheidssituatie slechter is dan door het Uwv aangenomen.

De Raad overweegt als volgt.

Ook de Raad ziet geen aanleiding te veronderstellen dat de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding onjuist is vastgesteld. In Marokko is appellant onderzocht door een algemeen arts, een psychiater en een radioloog. De rapporten van deze onderzoeken zijn door de verzekeringsarts in zijn beoordeling betrokken. Ook de door appellant ingezonden rapporten van zijn behandelend arts zijn bij de beoordeling betrokken. De, in de loop van de procedure, nog nader door appellant ingezonden verklaringen van zijn behandelend arts geven geen wezenlijk ander beeld van de gezondheidstoestand van appellant dan volgt uit de rapportages van de verzekeringsartsen van het Uwv.

De Raad is van oordeel dat de Functionele Mogelijkheden Lijst, zoals deze door het Uwv op 18 april 2007 nader is vastgesteld naar aanleiding van vragen van de Raad, geen onjuiste weergave is van de voor appellant vastgestelde medische beperkingen. Er blijven voldoende, voor appellant medisch geschikte, functies over om de onderhavige schatting op te baseren.

Dit alles leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.C. Palmboom.

IJ221107