Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
06-12-2007
Zaaknummer
05/4304 WAO, 06/913 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing, intrekking en terugvordering AAW/WAO-uitkering, en terugbetaling in een keer. Bij nader besluit terugbetaling in termijnen. Toerekening winst uit onderneming. Getuigen verklaringen. Beoordeling omvang werkzaamheden juist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4304 WAO en 06/913 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 mei 2005, 04/1417 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Butter, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Butter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten verwijst de Raad naar de overwegingen 2.1 tot en met 2.6 van de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellant was werkzaam als bedrijfsleider in de slijterij van zijn schoonzuster [K.]. Op 12 augustus 1985 is hij uitgevallen in verband met nekklachten als gevolg van het syndroom van Klippel-Feil. Na afloop van de wachttijd van 52 weken is aan appellant een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Naar aanleiding van een signaal dat appellant werkzaamheden zou verrichten in het bedrijf van zijn echtgenote heeft het Uwv een onderzoek ingesteld. In het op basis daarvan opgestelde rapport van 2 april 2003 is geconcludeerd dat appellant in ieder geval vanaf 19 juni 1992 werkzaamheden heeft verricht in de horecaonderneming [P]

[het bedrijf] (hierna: het bedrijf), waarvan hij geen opgave heeft gedaan aan het Uwv en zijn rechtsvoorgangers. Op 4 april 2003 heeft zowel een verzekeringsgeneeskundig als een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden dat heeft geleid tot de conclusie dat appellant vanaf 19 juni 1992 niet als arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt.

Bij besluit van 1 april 2003 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 april 2003 geschorst. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 april 2003 appellants uitkering ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 19 juni 1992 ingetrokken, bij besluit van 24 april 2003 de aan appellant onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 augustus 1996 tot 1 april 2003 ten bedrage van € 100.827,49 bruto van hem teruggevorderd en bij besluit van 16 juli 2003 bepaald dat appellant genoemd bedrag in één keer moet terugbetalen. Appellant heeft tegen deze vier besluiten bezwaar gemaakt. Bij het besluit op bezwaar van 13 juli 2004 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv de vier primaire besluiten gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschreven dat aanleiding bestond om de WAO-uitkering van appellant per 1 april 2003 te schorsen. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv appellants uitkering op goede gronden per 19 juni 1992 heeft ingetrokken. In dit verband heeft de rechtbank de visie van de bezwaararbeidsdeskundige dat 70% van de behaalde winst van het bedrijf aan appellant moet worden toegerekend en de overige 30% aan zijn echtgenote onderschreven. Uit de vele gedetailleerde verklaringen van de gehoorde getuigen omtrent de daadwerkelijke rol en werkzaamheden van appellant alsmede de omschrijving die appellant heeft gegeven over zijn inbreng en werkzaamheden in het bedrijf blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat appellant zijn werkzaamheden nagenoeg en zonder noemenswaardige problemen in ieder geval vanaf 19 juni 1992 dagelijks en jarenlang heeft uitgevoerd. De rechtbank was met het Uwv van oordeel dat in de omstandigheden van appellant geen sprake is van dringende redenen om af te zien van terugvordering van de uitkering die vanaf 1 augustus 1996 onverschuldigd aan appellant is betaald. De rechtbank heeft het standpunt van appellant onderschreven dat voorafgaande aan het besluit tot invordering ten onrechte met hem geen overleg heeft plaatsgevonden en om die reden, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep van appellant gegrond verklaard en besluit 1 vernietigd voor zover daarbij het invorderingsbesluit van 16 juli 2003 is gehandhaafd.

Hangende het hoger beroep heeft het Uwv bij besluit van 28 december 2005 (hierna: besluit 2) opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 juli 2003. Bij besluit 2 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat appellant met ingang van 1 januari 2006 maandelijks € 150,- dient terug te betalen, gedurende maximaal twaalf maanden, en dat hij het restant van de vordering, zijnde een bedrag van € 99.027,49 binnen zes weken na dagtekening van dat besluit dient te voldoen.

De Raad stelt vast dat met besluit 2 wijziging is gebracht in besluit 1. Nu besluit 2 niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep mede gericht geacht tegen besluit 2.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat destijds aan hem is meegedeeld dat zijn arbeidzaam leven ten einde is gekomen en dat die mededeling van groot belang is voor de beoordeling van de verrichte werkzaamheden en de vragenformulieren die appellant heeft ingeleverd. Appellant handhaaft zijn beroep op het vertrouwensbeginsel. Voorts heeft de rechtbank naar de mening van appellant ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaringen die de getuigen [R.] en [V. d. G.] hebben afgelegd omdat die verklaringen gelet op de openings- en sluitingstijden en de omvang van het bedrijf alsmede de aard van de werkzaamheden, onjuist zijn. Naar de mening van appellant kon de omvang van zijn werkweek niet meer dan 30 uren per week hebben bedragen en is er geen ondersteuning voor het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige dat sprake zou zijn geweest van een 38-urige werkweek. Bovendien is volgens appellant niet aannemelijk dat hij de werkzaamheden als bedrijfsleider weer volledig heeft opgepakt, omdat dat onmiddellijk zou hebben geleid tot een toename van zijn gezondheidsklachten. Ten slotte handhaaft appellant zijn stelling dat, gezien de omvang en de aard van zijn werkzaamheden, de winst uit het bedrijf voor niet meer dan 50% aan hem kan worden toegerekend. Ter zitting van de Raad heeft appellant zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad over besluit 2.

Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

Bij brief van 11 november 1986 hebben revalidatie-arts C.J. Nielen en arbeidstherapeut P.A. Hartog de toenmalige Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) geïnformeerd dat tijdens een revalidatie-dagbehandeling duidelijk naar voren is gekomen dat appellants beperkingen zo fors zijn, dat hij niet kan terugkeren binnen zijn oude werksituatie. Zij achtten het van het grootste belang dat appellant enige sociale contacten onderhoudt, waarbij gedacht werd aan heel lichte werkzaamheden, zoals koffie zetten en post verzorgen, bij zijn oude werkgeefster [K.]. Dergelijke werkzaamheden waren bedoeld om enige structuur aan de dagen van appellant te geven en zeker niet als loonvormend. De GMD is met dit voorstel akkoord gegaan onder aantekening dat sprake is van einde arbeidsleven van appellant. De Raad is van oordeel dat deze uitlatingen van de GMD hooguit een verwachting kunnen rechtvaardigen dat ongewijzigde voortzetting van de bedoelde lichte werkzaamheden, niet alleen qua aard en omvang daarvan, maar ook bij dezelfde werkgever, niet zal leiden tot een wijziging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Aan deze uitlatingen kan niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat reguliere werkzaamheden in een eigen bedrijf, dat op naam staat van de echtgenote van appellant, en die onmiskenbaar loonvormend zijn, geen consequenties zullen hebben voor deze uitkering.

Tijdens het verhoor op 2 april 2003 heeft appellant, nadat hij was geconfronteerd met de verklaringen die de voormalige werknemers [R.], [v.d. G.], [H.] en [d. D.] hebben afgelegd over zijn werkzaamheden in het bedrijf, erkend dat hij feitelijk het bedrijf heeft uitgebaat en dat zijn echtgenote enkel op papier eigenaar is. Aan het standpunt van appellant, zoals verwoord ter zitting van de Raad, dat zijn verklaring tijdens het verhoor onjuist is en onder druk is afgelegd, en dat hij in het bedrijf louter incidenteel hand- en spandiensten heeft verricht, gaat de Raad voorbij omdat daarvoor in de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt is te vinden. In dit verband wijst de Raad op de verklaringen van de vier gehoorde werknemers, die een duidelijk en consistent beeld schetsen van de aard en omvang van de werkzaamheden van appellant en op het gegeven dat appellant het proces-verbaal van zijn verhoor heeft ondertekend. De stelling van appellant dat hij, gelet op de openingstijden en de omvang van het bedrijf alsmede de inzet van personeel, niet meer dan 30 uur per week heeft gewerkt, zodat bij de onderhavige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten onrechte is uitgegaan van een 38-urige werkweek, kan de Raad niet onderschrijven. Appellant heeft op 2 april 2003 verklaard dat hij tijdens de openingsuren van het bedrijf alle voorkomende werkzaamheden verrichtte maar ook voorbereidende handelingen voorafgaande aan de opening, licht administratief werk deed alsmede belast was met de zorg voor het personeel, waartoe behoorde het aannemen van medewerkers, maken van roosters en regelen van vrije dagen en ziektedagen. Appellant heeft daarbij verklaard dat hij gemiddeld ongeveer 30 uur per week werkzaam was en dat hij buiten die uren wel aanwezig was in het [bedrijf], maar dan geen werkzaamheden uitvoerde. De Raad stelt vast dat geen van de vier gehoorde voormalige werknemers er melding van heeft gemaakt dat appellant gedurende de openingstijden van het bedrijf voor een deel louter passief aanwezig is geweest. Bovendien is de aanwezigheid van een exploitant van een horecabedrijf, waartoe appellant blijkens zijn eigen verklaring moet worden gerekend, tijdens de openingstijden van het bedrijf onder meer van betekenis voor klantenbinding en het houden van toezicht op de gang van zaken. De Raad tekent daarbij aan dat appellant tijdens het verhoor heeft verklaard dat besloten is om personeel aan te nemen omdat de zaken goed gingen en het drukker en drukker werd en derhalve niet om zijn inzet in het bedrijf te beperken. Op basis van de beschikbare gegevens, waaronder de afgelegde verklaringen van de voormalige werknemers en van appellant, acht de Raad het alleszins reëel om ervan uit te gaan dat het geheel van werkzaamheden van appellant voor het bedrijf zodanig omvangrijk was dat hij daarmee gemiddeld niet minder dan 38 uur per week bezig was.

De grief van appellant dat de bezwaararbeidsdeskundige ten onrechte 70% van de winst van het bedrijf aan hem heeft toegerekend en de overige 30% aan zijn echtgenote en dat in overeenstemming met het standpunt van de arbeidsdeskundige niet meer dan 50% van de winst aan ieder van hen dient te worden toegerekend, kan de Raad niet onderschrijven. Bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe is op basis van de informatie dat appellant meer in het bedrijf aanwezig was dan zijn echtgenote en dat hij belast was met organisatorische, leidinggevende en commerciële activiteiten, die in het economisch verkeer een hogere loonwaarde vertegenwoordigen dan uitvoerende taken, tot de conclusie gekomen dat de toerekening van 70% van de winst aan appellant en de overige 30% aan zijn echtgenote meer in overeenstemming is met de bedrijfseconomische realiteit dan de primair aangehouden verhouding van 50/50. De Raad heeft gelet op de verklaringen van de voormalige werknemers van het bedrijf geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat de bezwaararbeidsdeskundige van een onjuist beeld is uitgegaan van de inzet van appellant voor het bedrijf en de inzet van zijn echtgenote. Voorts acht de Raad, mede gelet op de verklaring van appellant tijdens zijn verhoor over de aard van zijn werkzaamheden, de toerekening van 70% van de winst aan appellant naar behoren gemotiveerd.

Naar aanleiding van besluit 2 overweegt de Raad als volgt. Artikel 6, vierde lid, eerste volzin, van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering van 6 juni 1996, Stcrt. 1996, 141 (hierna: de Regeling) bepaalt dat indien de schuldenaar de vordering niet binnen twaalf maanden volledig zal kunnen voldoen, hij zijn vermogen aanwendt zodat een zodanig gedeelte van de vordering binnen zes weken, nadat het Uwv de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van termijnen, wordt voldaan, dat hij de resterende vordering binnen twaalf maanden kan voldoen. De Raad is van oordeel dat het besluit 2 in overeenstemming is met artikel 6, vierde lid, van de Regeling en dat ook overigens geen aanleiding bestaat om dit besluit niet in stand te laten.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt en dat het beroep tegen besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL