Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9560

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
06-12-2007
Zaaknummer
06-2056 WAO, 06-3730 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering 15-25%. Na uitspraak rechtbank, bij nader besluit gewijzigd in 25-35%. Medisch onderzoek voldoende? Arbeidskundige beoordeling voldoende gemotiveerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2056 WAO, 06/3730 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 februari 2006, 05/4223 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene].

en

appellant

Datum uitspraak: 5 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. B.F. Desloover een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2007. Namens betrokkene is mr. Desloover verschenen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft zich op 3 oktober 2003 wegens rugklachten ziek gemeld voor haar werk als schoonmaakster gedurende 38 uur per week in dienst van [naam werkgever] (hierna: werkgever). Tevens was sprake van psychische klachten. Daarnaast ontving zij voor 2 uur per dag een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Nadat betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) had aangevraagd, is zij op 21 juli 2004 onderzocht door de verzekeringsarts ter beoordeling van het door de bedrijfsarts opgestelde re-integratieverslag. Op

11 november 2004 is zij opnieuw gezien door de verzekeringsarts. Deze heeft haar onderzocht en kennis genomen van inlichtingen van haar behandelend neuroloog.

De verzekeringsarts achtte de belastbaarheid van betrokkene op grond van zowel lichamelijke als psychische klachten beperkt. Haar belastbaarheid werd omschreven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Daarna heeft de verzekeringsarts op zijn verzoek nog inlichtingen ontvangen van de behandelaars van betrokkene van het Riagg, die geen reden gaven tot aanpassing van de FML. Met inachtneming van de FML achtte de arbeidsdeskundige betrokkene niet meer in staat haar eigen werk van schoonmaakster gedurende 48 uur per week te verrichten. Wel werd zij in staat geacht ten minste drie voor haar uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerde functies te verrichten en daarmee een zodanig loon te verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit resteerde van 21,62%.

Bij besluit van 3 maart 2005 heeft appellant betrokkene bericht dat zij met ingang van 30 september 2004 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Omdat aan de werkgever een verplichting tot doorbetaling van het loon aan betrokkene tot 30 maart 2005 was opgelegd, komt de uitkering pas met ingang van 30 maart 2005 tot uitbetaling. Na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige heroverweging heeft appellant bij besluit van 19 augustus 2005 (hierna: besluit 1) het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 maart 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen besluit 1 gegrond verklaard en daartoe, samengevat, overwogen dat het gelet op het dagverhaal van betrokkene in samenhang met de medische informatie van het Riagg die door betrokkene in beroep is overgelegd, niet duidelijk is waarom appellant de standaard ‘Geen duurzaam benutbare mogelijkheden’ (GDBM) niet op betrokkene van toepassing heeft geacht. De rechtbank achtte in ieder geval de medische onderbouwing van besluit 1 op dit punt onvoldoende. Voorts was de rechtbank van oordeel dat ook het arbeidskundig deel van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet voldeed aan de vereisten die het motiveringsbeginsel aan een besluit stelt. De rechtbank heeft besluit 1 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en beslissingen genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Met betrekking tot de medische grondslag van besluit 1 heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in ruime mate hebben gemotiveerd waarom in de situatie van betrokkene geen sprake is van GDBM. Ook volgens het in hoger beroep overgelegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts is het op basis van genoemde standaard niet te rechtvaardigen betrokkene volledig arbeidsongeschikt te beschouwen, nu de verzekeringsarts heeft vastgesteld dat er geen sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op drie gebieden. De bezwaarverzekeringsarts wijst er voorts op dat de behandelaars van het Riagg een

Gaf-score van 65 aangeven, hetgeen het stellen van een volledig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren eigenlijk ook uitsluit. De informatie van het Riagg sluit volgens de bezwaarverzekeringsarts aan bij de bevindingen van de verzekeringsarts zowel wat betreft de diagnose als het functioneren. Ook de opmerking van de behandelaars dat zij betrokkene op dat moment niet in staat achten haar werk te doen komt overeen met de beoordeling van appellant dat zij niet in staat is per einde wachttijd haar eigen werk te verrichten.

Wat de arbeidskundige grondslag van besluit 1 betreft, is de bezwaararbeidsdeskundige alsnog tot de conclusie gekomen dat de functie met sbc-code 111180 dient te vervallen. Er resteren dan drie functies waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt in 25 tot 35%. Bij besluit op bezwaar van 10 mei 2006 (hierna: besluit 2) heeft appellant betrokkene bericht dat de WAO-uitkering met ingang van 30 maart 2005 wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

Betrokkene heeft kenbaar gemaakt dat met besluit 2 niet volledig tegemoet is gekomen aan haar bezwaren en voorts haar standpunt gehandhaafd dat zij op de datum in geding op medische gronden niet in staat was de haar voorgehouden functies te verrichten.

De Raad stelt vast dat met besluit 2 wijziging is gebracht in besluit 1. Nu besluit 2 niet geheel aan betrokkenes beroep tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

De Raad kan zich verenigen met het standpunt van appellant in hoger beroep, zoals nader onderbouwd in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 12 april 2006. Gezien de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts heeft een zorgvuldig medisch onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft lichamelijk en psychisch onderzoek verricht, overleg gepleegd met de bedrijfsarts en in de beoordeling informatie van de behandelend neuroloog betrokken. Daarna heeft de verzekeringsarts nog informatie ingewonnen bij de behandelaars van het Riagg en geconcludeerd dat deze aansloot bij de bevindingen tijdens het onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarnaast nog kennis genomen van informatie van de huisarts van betrokkene. Op grond van een heroverweging op basis van de beschikbare gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de verzekeringsarts tot een juiste beoordeling is gekomen. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd dat er geen grond is om aan te nemen dat er bij betrokkene op de datum in geding sprake was van een zodanig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid zou hebben. Uit de stukken komt naar voren dat zij in staat was zichzelf te verzorgen en in het gezin te functioneren. Dat zij daarbij hulp kreeg van familieleden maakt niet dat er sprake was van een volledig onvermogen tot functioneren. Ook de door het Riagg aangegeven Gaf-score wijst daar niet op. De Raad ziet voorts in hetgeen van de zijde van betrokkene naar voren is gebracht geen grond om aan te nemen dat haar belastbaarheid is overschat. De Raad acht zich voldoende voorgelicht door de beschikbare medische gegevens en ziet geen aanleiding voor een onderzoek door een onafhankelijke medisch deskundige. Anders dan de rechtbank concludeert de Raad dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op een toereikende medische grondslag berust.

Appellant heeft zich verenigd met het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van besluit 1. Aan de schatting waarop besluit 2 berust, liggen de functies inpakker handmatig (sbc-code 111190), productiemedewerker textiel geen kleding (sbc-code 272043) en machinaal metaalbewerker excl. bankwerk (sbc-code 254122) ten grondslag. De Raad verenigt zich met het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 27 april 2006, waarin tevens is verwezen naar de notities functiebelasting van 15 augustus 2005, dat betrokkene gelet op haar belastbaarheid op de datum in geding in staat geacht kan worden deze functies te verrichten.

Gelet op het vorenstaande ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen voorzover daarbij is geoordeeld dat de medische grondslag van besluit 1 niet wordt gedragen door een deugdelijke motivering, en voor het overige te bevestigen. Het beroep dat geacht wordt mede gericht te zijn tegen besluit 2 komt voor ongegrondverklaring in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep voorzover dit geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 10 mei 2006 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL